Rosario Ibarra de Piedra is een Mexicaanse feministe, politiek activiste en politica.
In 1975 'verdween' haar zoon Jesús Piedra door toedoen van de Mexicaanse geheime dienst. Hierna richtte zij de organisatie Eureka de Desaparecidos op, vergelijkbaar met de Argentijnse Dwaze Moeders, en zet ze zich actief in voor het berechten van de verantwoordelijken van de vuile oorlog in Mexico. Ze wierp zich op als tegenstander van de Institutioneel Revolutionaire Partij, die Mexico als eenpartijstaat regeerde. Door haar acties, waaronder een hongerstaking wist ze 148 politieke gevangenen vrij te krijgen onder het bewind van José López Portillo.
In 1982 was ze voor de Trotskistische Revolutionaire Arbeiderspartij de eerste vrouwelijke presidentskandidaat in Mexico. Ze behaalde 1,8% van de stemmen. Van 1985 tot 1988 zat ze voor de PRT in de Kamer van Afgevaardigden. In 1986 werd Ibarra genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede.
In 1988 nam ze opnieuw deel aan de presidentsverkiezingen. Ze behaalde dit keer 0,7% van de stemmen en deed vervolgens iets wat waarschijnlijk uniek is in de wereldgeschiedenis: ze klaagde dat ze te veel stemmen had gekregen.