1910 - 1944

MAPPING KNOWLEDGE

Mundaneum

“The Visualizations of Paul Otlet”

Inleiding

Nu het World Wide Web ingelijfd wordt door een exponentiële groei van informatie, tracht men door middel van mapping- en visualisatietechnieken opnieuw een overzicht te krijgen van de uitdijende kennisvelden waarin wij al te vaak de weg kwijt raken. 

Hetzelfde probleem dook ook al op in het begin van de twintigste eeuw toen de industrialisering van de boekdrukkunst resulteerde in een gelijkaardige explosie van informatie.

De Belgische encyclopedist en internationalist Paul Otlet (1868-1944) en zijn team van het Mundaneum in Brussel gingen de utopische uitdaging aan alle kennis van de wereld in kaart te brengen. 

De bedoeling was niet alleen om een catalogus te maken van alles wat ooit gepubliceerd was, maar ook om letterlijk alle menselijke kennis in kaart te brengen door middel van een visuele synthese.

Deze digitale tentoonstelling analyseert de vele duizenden beelden die Otlet en zijn team van het Mundaneum produceerden in vier hoofdstukken. 

Elk hoofdstuk behandelt een andere collectie beelden. Zij verschillen qua formaat, beeldtaal en de soort van informatie die gevisualiseerd wordt (encyclopedisch, bibliografisch, sociaal en politiek).

1. Het in kaart brengen van encyclopedische kennis

Sinds 1910 werkte Otlet aan de ontwikkeling van zijn Internationaal Museum in de zuidelijke vleugel van het Jubelpaleis in Brussel, dat hij tijdens het interbellum omdoopte tot het Mundaneum of Wereldpaleis. Het Internationaal Museum in Brussel was opgevat als “een museum van ideeën en van feiten,” een soort ruimtelijke encyclopedie waarin gestreefd werd naar een synthese en visualisatie van alle kennis, en dit vanuit een internationalistisch perspectief.

Otlet herstructureerde het museum in drie afdelingen toegespitst op respectievelijk geschiedenis, geografie en wetenschap, voorafgegaan door een introductiehal. 

Naast objecten, modellen en grafisch materiaal bevatte het museum ook posters die bedoeld waren om via visualisatie kennis te “transponeren” vanuit boeken en documenten die in wezen “discursief, traag en compact” zijn, naar “intuïtieve, directe en snelle” verklaringen.

In de jaren 1920 zette Otet zijn zoektocht verder naar museologische manieren om doeltreffend grote hoeveelheden informatie te tonen. 

Hij begon te werken aan een “Atlas van de Beschaving”, een soort museum van ideeën gecondenseerd in een grafisch leerboek. Net zoals de Atlas Universalis van Leibniz (1678) beoogde hij iconografische documenten te bundelen tot een educatief handboek dat alle wereldkennis zou overschouwen. 

In tegenstelling tot het Nederlandse woord “atlas” verwees het Franse woord “atlas” niet naar een uitgave van enkel landkaarten maar eerder naar een verzameling van beelden, reproducties van schilderijen en andere iconografische documenten toegevoegd aan een werk ten einde het beter begrijpbaar te maken.

In de marge van een groot congres van de World Federation of Education Associations in 1929, begon Otlet samen te werken met de Australische socioloog en politiek econoom Otto Neurath (1882-1945) aan een Nuovo Orbis Pictus, een beeldencyclopedie genoemd naar de Orbis Sensualium Pictus (1658) uitgebracht door de vader van de moderne pedagogie Johann Amos Comenius (1592–1670). 

Hoewel dit project nooit gerealiseerd werd, zien we hoe Otlet begon te werken met Neurath’s methode van picturale statistieken zoals gepubliceerd in Neurath’s Atlas Gesellschaft und Wirtschaft [Society and Economy] (1930). 

Otlet en Neurath geloofden dat visuele pedagogie een internationale en algemene vorm van educatie kon bieden die potentieel in staat zou zijn een rechtstreekse impact te hebben op maatschappelijke en politieke structuren.

Gelijklopend met het opzet om het Internationaal Museum meer mobiel te maken door het in een atlas in te bedden, zocht Otlet naar manieren om de atlas multimediaal te maken, bijvoorbeeld met formats zoals het gesproken woord, speelgoed, foto's, boeken, film, grammofoonplaten, radio-uitzendingen en zelfs een uitstap, al naar gelang het tijdperk en het type kennis dat moest worden overgebracht.

In de jaren 1930 produceerde het Mundaneum meerdere atlassen bedoeld als onderdelen van de onuitgegeven en onvoltooide Atlas Mundaneum of de Enyclopaedia Universalis Mundaneum (EUM), die volgens Otlet zowat 8.000 beelden bevatte.

2. 2. Het in kaart brengen van bibliografische kennis

Otlet tekende duizenden schema's in zijn zoektocht naar nieuwe manieren om kennis te ordenen. Vele papieren in zijn persoonlijk archief bevatten kleine schetsen, schema's of handgeschreven aantekeningen in de marge. Het is door middel van een proces van schematisering, of zoals Rudolf Arnheim het noemde, een proces van “visueel denken” dat Otlet bepaalde concepten of gedachten uitwerkte. In zijn dagboek noteert Otlet dat “[…] ik bepaalde ideeën moet uittekenen, bepaalde grafieken. Het is in mijn gedachten dat ik de bewegingen maak die ik teken: een cirkel, een driehoek, een lijn.”

In deze schema's vermengt hij symbolische, iconografische en geometrische elementen met geschreven aantekeningen in een metaforische taal die een leek moeilijk kan bevatten. Sommige van de figuren – zoals de bol, de piramide en het netwerk – komen zo vaak voor in zijn tekeningen dat zij als het ware “dode metaforen” worden: metaforen die zo beladen werden met uiteenlopende betekenissen en persoonlijke associaties dat zij niet meer het originele concept onthullen waar zij voor stonden.

Een van de figuren die alsmaar terugkomt in de schema's van Otlet is de “Wereldbol” of “Sphaera Mundaneum.” Hij gebruikte het als symbool voor zijn Mundaneum in Brussel en het blijft het symbool van het Mundaneum tot op vandaag, het archiefcentrum en de tentoonstellingsruimte in Bergen. De Sphaera Mundaneum is een grafische weergave van Otlet's metafysisch inzicht dat de wereld in essentie een geordend en ondeelbaar systeem is waarin alles aan alles gelinkt is: “Het is mogelijk om op schematische wijze de totaliteit van de wereld af te beelden door de concrete elementen voor te stellen als een bol waarin diverse grote cirkels, onderverdeeld in segmenten, verwijzen naar verschillende categorieën of elementen en hun onderverdelingen, cirkels en segmenten die als het ware geprojecteerd worden naar één centraal punt waar zij mekaar snijden en aldus de som van hun wederzijdse relaties bloot leggen.”

Toen ik in 2007 de EUM collectie in het archief van het Mundaneum doorploegde trok een schema getiteld “Mundothèque” mijn aandacht. Het toont de manier waarop Otlet het probleem van het ordenen van “persoonlijke documentatie” wilde aanpakken. De Mundothèque was zijn antwoord op dat probleen; een soort persoonlijk werkstation dat veel gelijkenissen vertoont met onze huidige Personal Computers. Net als onze PC van vandaag maakt de Mundothèque gebruik van “hardware” (op zijn planken staan “instrumenten” zoals een radio, een telefoon, een microfoon, een beeldscherm om microfilms te lezen, een televisie en een platenspeler); een “browser” (de UDC catalogus links van de katheder); en een persoonlijke collectie van “Mijn Documenten” (de persoonlijke verzameling van boeken en administratieve archiefstukken), met een eigen folder voor de opslag van muziek, films (“phono-ciné), foto's, (‘archives encyclopaedium‘, en ‘photothèque’); en zelfs een “realiteca”, een soort collectie van objecten en wetenschappelijke modellen.

3. Het in kaart brengen van maatschappelijke kennis

Paul Otlet speelde een vooraanstaande rol als erkende documentalist en internationalist inzake de professionalisering en institutionalisering van de discipline van de stedenbouw en ruimtelijke planning. 

Voor een tentoonstelling over stedenbouw die hij in het kader van de Wereldtentoonstelling van Gent in 1913 opzette, werd door zijn team een collectie visualiseringen uitgewerkt over gemeentelijke diensten. 

Als mede-oprichter en met de steun van de Internationale Vereniging van Steden en Gemeenten hoopte hij, samen met de Belgische stedenbouwkundige Louis Van der Swaelmen (1883-1929) een Encyclopedie der Steden van de grond te krijgen dat de belangrijkste voorbeelden uit de stedenbouw zou bundelen.

Otlet ging voortdurend nieuwe samenwerkingsverbanden aan met sociologen, maatschappelijke denkers, architecten en stedendbouwkundingen, en dit leidde tot het ontwerpen van een hele reeks gemeentelijke atlassen: Altlas Elsene (1936), Atlas Sint-Gillis (1936), Atlas Sint-Jans Molenbeek (1937), Atlas Etterbeek (1938) en Atlas Antwerpen (z.d.). 

De omvang van deze atlassen varieert van een twaalftal tot vijftig bladzijden. De meeste bestaan uit thematische kaarten en geïllustreerde statistieken die gegevens uit gemeentelijke rapporten visualiseerden.

Vele beelden waren gewoon gekopieerd van andere bronnen. Zo bevatte de Atlas Antwerpen grafieken uit een statistisch boekje over Antwerpen tijdens de jaren 1918-1928 (1930) van de hand van Jan Albert Goris (1899–1984), beter bekend als de Vlaamse schrijver Marnix Gijsen en ontworpen door de Belgische modernistische graficus Jos Leonard.

Naast die gemeentelijke atlassen ontwierp hij ook in 1936 een Atlas Belgique in de vorm van een reeks posters (64 x 67 cm) die konden worden opgehangen als educatief materiaal in klaslokalen of in musea.

Otlet maakte gebruik van verschillende grafische methodes om kwantitatieve data te visualiseren en te vergelijken. Toch zijn een groot aantal van zijn grafieken gebaseerd op de Isotype code van Otto Neurath. Neurath’s invloed komt duidelijk naar boven in veel van zijn statistische voorstellingen.

Otlet's grafische methodes waren eclectisch, pragmatisch en derivatief. De veelheid van gebruikte technieken onderscheidt Otlet van anderen die veel systematischer te werk gingen door strakke vormen van statistische uitbeelding uit te werken voor stedenbouwkundige analyses, zoals Neurath zelf of de Nederlandse architect Cornelis Van Eesteren. Otlet legde de prioriteit op encyclopedische systematisering eerder dan op grafische standaardisering.

4. Het in kaart brengen van politieke kennis Otlet wendde niet alleen visualisering aan om uiting te geven aan zijn ideeën over documentatie en encyclopedie, hij maakte er ook gebruik van om zijn internationalistische ideeën te propageren. Net zoals de slideshow technologie van vandaag gebruikte hij geprojecteerde beelden om zijn ideeën inzake internationale politiek uit te leggen en te promoten.

Otlet gaf lezingen over de problematiek van de oorlog. Hij was van mening dat enkel een Volkerenbond een oorlog kon doen stoppen en kon vermijden in de toekomst. Tijdens de Eerste Wereldoorlog publiceerde hij uitgebreid over deze onderwerpen in artikels en boeken. Een van zijn meest innovatieve ideeën was het erkennen en opnemen van internationale niet-gouvernementele organisaties als lid van de Volkenbond. Hij pleitte ook voor een structuur waarin de Volkerenbond naast een politieke en economische ook een een intellectuele sectie zou bevatten.

Een andere zaak waar Otlet sterk voor ijverde was de centralisering van internationale instellingen. Zoals vele andere internationalisten was hij de mening toegedaan dat centralisering veel tijd en energie zou besparen omdat het de afstanden drastisch zou verminderen tussen de verschillende internationale organismen.

Hij werkte samen met verschillende architecten om dit idee ook ruimtelijk voor te stellen in plannen die hem hielpen in zijn pleidooi voor een wereldstad. Op basis van de schema’s van Otlet vertaalden internationaal befaamde architecten zoals Ernest Hébrard, Le Corbusier en Victor Bourgeois het idee van een Wereldcentrum tot een concreet project. In 1913 ging Otlet voluit voor de realisatie van een Mondiaal Communicatiecentrum naar plannen van  Hendrik Christian Andersen en Ernest Hébrard, te bouwen in de Brusselse randgemeente Tervuren.

In de jaren 1930 omschreef Otlet zijn concept van Cité Mondiale alsmaar meer als een “Cosmopolis.” 

Wellicht vond hij inspiratie voor deze benaming bij de anarchist en pacifist Henri Léon Follin (1866–1935), die zijn individualistische ideologie publiceerde onder de naam ‘Cosmométapolis.’ 

Ondanks vele verschillen deelden Otlet en Follin de overtuiging dat meer macht moest gaan naar de niveau's boven en onder het nationale. 

Maar  daar waar Follin’s Cosmo(meta)polis een metafysische stad van de menselijke geest moest zijn, was Otlet’s Cosmopolis of Cité Mondiale een stad die de cosmopolitische gedachte vertaalde in een tastbare en geïnstitutionaliseerde vorm.

Besluit

Wat van Otlet zo'n unieke figuur en originele denker maakt is de manier waarop hij door middel van een buitengewone organisatorische verbeelding het kennisprobleem steeds dieper ging onderzoeken in maatschappelijke en politieke dimensies. 

Zijn onverdroten inspanningen om zijn ideeën op schematische wijze voor te stellen en zijn jarenlange zoektocht naar manieren om kennis te visualizeren maakten deel uit van wat hij beschouwde als het ultieme doel van de organisatie van kennis: kennis tot synthese brengen.

Het laatste beeld van deze tentoonstelling komt uit de Atlas Monde (1936) waarin hij deze visuele synthese tot het uiterste doordreef: 

“Wat zou onze notie van geografie zijn indien wij geen kaarten hadden om de feiten op vast te leggen? Indien wij geen atlassen zouden hebben om de hele aardoppervlakte in kaarten zichtbaar te maken? Een systeem van coördinaten om de positie van elke groep of plaats aan te duiden (meridianen en parallellen)? De beeldenreeks die hier getoond wordt [in de Atlas Monde] beoogt, net zoals kaarten en atlassen, het hele universum te bestrijken vanuit het oogpunt van de verschillende wetenschappen. Het is eerst en vooral een opsomming van al wat bestaat; een geordende en aaneengeschakelde inventaris, waar door intuïtieve veralgemening de essentiële wetten van het bestaan zichtbaar worden.”

Dr Wouter Van Acker discusses Paul Otlet

CREDITS: Tentoonstelling

Deze tentoonstelling is gebaseerd op de doctoraatsscriptie van Wouter Van Acker, Universalism as Utopia (Universiteit Gent, 2011). Dit proefschrift is een biografie van de utopische projecten die Paul Otlet tijdens zijn leven ondernam en is gebaseerd op de analyse van duizenden schema's die Otlet en zijn leeftijdgenoten tekenden. Een belangrijk deel van dit doctoraatswerk bestond in de digitalisering van een selectie van zowat 1300 beelden uit het archief van het Mundaneum door de Gentse Universiteitsbibliotheek. Deze digitale tentoonstelling illustreert de rijkdom en de variëteit van de door het Mundaneum bewaarde collectie. Alle teksten werden geschreven door Wouter Van Acker. Hij is nu verbonden asl docent hedendaagse architectuur en architectuurgeschiedenis aan Griffith University. Zijn onderzoek spitst zich toe op de geschiedenis en de theorie van de architectuur en stedenbouw in de twintigste eeuw.

Credits: verhaal

Rôle — Wouter Van Acker for the Mundaneum

Credits: alle media
Het uitgelichte verhaal kan in sommige gevallen zijn gemaakt door een onafhankelijke derde partij en kan afwijken van de standpunten van de hieronder vermelde instituten die de content hebben geleverd.
Vertalen met Google
Homepage
Verkennen
Dichtbij
Profiel