april 1942 - juli 1943

VOORDAT ZE OMKWAMEN...

Auschwitz-Birkenau State Museum

Deportatie van Joden uit Zagłębie Dąbrowskie naar Auschwitz

Na de bevrijding werd in de ruïnes van het kamp Birkenau een doos gevonden met een unieke verzameling foto's. De doos werd waarschijnlijk gevonden in het zogenaamde 'Canada'-gebied, de zone in het kamp waar de bagage van de in de gaskamers vermoorde Joden werd gesorteerd. Op de foto's zien we gezichten met allerlei uitdrukkingen: lachend, vrolijk, in gedachten verzonken, speels, melancholisch. Bruiloften, geboortes, vakanties met familie en vrienden, alles komt voorbij. Een voor altijd verloren wereld is onsterfelijk gemaakt op fotopapier. De wereld van Poolse Joden van voor de Holocaust. Op de meeste van de circa 2400 foto's staan Joodse families uit Zagłębie afgebeeld: uit Będzin, Sosnowiec en omstreken. Vaak zijn dezelfde mensen geportretteerd, op verschillende plekken, in verschillende situaties, op verschillende momenten in het jaar, omgeven door familie en vrienden. Er zitten amateurkiekjes tussen, maar ook foto's die door professionele fotografen zijn genomen en ansichtkaarten. De fotografen hebben vereeuwigd wat ze niet wilden vergeten: een huwelijksreis, familieweekend, en, het allerbelangrijkste: scènes uit het dagelijks leven, zoals een wandelingetje door de buurt, spelende kinderen en het plezier in hun vrije tijd. Mogelijk zijn de foto's door één familie meegenomen naar het kamp, of misschien zelfs door mensen uit hetzelfde gezin. Wat in elk geval vaststaat, is dat het mensen waren die samen werden gedeporteerd, die samen op transport gingen. Waarschijnlijk gooiden de gevangenen die in 'Canada' werkten de foto's in een doos of koffer, waarna ze werden vergeten.

DE FAMILIES BRODER EN KOHN

De familie Broder woonde met hun zes kinderen, Bronka, Lejb, Eli Aron, Hadasa, Chenoch en Idka, in Będzin op Małachowskiego Street 52. Hier bevond zich ook hun winkel in kantoorbenodigdheden, medicijnen en tabakswaren.

In de jaren 20 bereidden de Broders zich voor op een reis naar Palestina. "Mijn vader had een stokerij in Jaffa. We waren klaar voor vertrek. Maar vlak voor we op weg wilden gaan, ontving mijn moeder een telegram van mijn vader. Tijdens het werk was hij ernstig gewond geraakt doordat er een ijzeren vat op zijn been was gevallen. Hij moest zes weken in het ziekenhuis in Tel Aviv blijven" herinnert Eli Broder zich, het enige familielid dat de Holocaust overleefde.

Fajgla Broder en de kinderen bleven in Będzin. Vader Broder verkocht zijn bedrijf in Jaffa en keerde terug naar Polen.

In het begin van de jaren 30 trouwde de oudste dochter, Bronka, met Majer Kohn. Zijn ouders, Nahum en Dina Kohn, hadden een dameskledingzaak in Sosnowiec in Modrzejowska Street. Ze brachten hun vakanties meestal door in Krynica.

Bronka en Majer Kohn kregen twee kinderen: David en Renia. De kinderen werden vaak op de foto gezet, tijdens wandelingetjes door de stad en tijdens vakanties. Geen van deze foto's is gemaakt door een professionele fotograaf. Eli Broder, die het verhaal van zijn familie vertelde, was een enthousiaste fotograaf. In de complete verzameling van 2400 foto's vond hij de foto's terug die hij zelf maakte. Hij vertelt: "Ik fotografeerde veel. Ik had een Volkländer-camera, en later een Leica. Ik nam de foto van Hudka (Hadasa) en Bronka en de kinderen toen ik ze toevallig tegen het lijf liep na mijn werk. Thuis ontwikkelde ik ze meteen, zodat ik ze aan hen kon laten zien." De Broders en Kohns waren religieuze families, hun kinderen gingen naar Joodse scholen in Będzin. Eli Broder herinnert zich: "Toen ik nog bij m'n ouders woonde, was ik religieus en ging ik naar een jesjieve, een Talmoedschool. Maar ik had geen goede band met mijn ouders. Mijn vader was erg streng. Ik verstopte een keer schaatsen onder het bad. Toen mijn vader ze ontdekte, gaf hij ze aan een andere jongen."

Bij de opvoeding van kinderen in religieuze families stond een vrome levenswijze centraal. De zonen moesten de traditie van hun vaders voortzetten en gingen naar scholen waar ze zich bezighielden met het bestuderen van de Talmoed en leerden hoe ze volgens de religieuze wetten moesten leven. Eli Broder hield erg van fietsen, maar sport en lichaamsoefening hoorden niet bij de idealen van een orthodoxe opvoeding. Eli vertelt dat hij daardoor vaak in botsing kwam met zijn strenge vader.

In 1937 trouwde Eli Broder. Zijn ouders waren geen voorstanders van dit huwelijk, omdat zijn vrouw niet uit een rijke familie kwam en haar broers communisten waren.

Na de aanval van Duitsland op Polen vluchtten Eli Broder en zijn vrouw naar de Sovjet-Unie.

Zijn familie bleef in Będzin. De broer die na Eli het oudst was, Lejb Broder, trouwde in het begin van de oorlog met Fajgla Rypsztajn. In 1941 trouwde Hadasa Broder met David Szlezyngier.

In 1941 werden Nahum en Majer Kohn opgehangen op het marktplein van Sosnowiec.

Lejb Broder werd geëxecuteerd door leden van de SS in de periode tussen 22 en 26 juni 1943, toen de joodse wijk werd gesloten. David Szlezyngier werd naar een werkkamp gedeporteerd en vermoord. Andere leden van de familie werden naar Auschwitz gedeporteerd. Niemand overleefde de Holocaust.

Eli Broder en zijn vrouw wonen in Israël.

Fajgla Broder met haar kinderen: Hadasa, Fajgla, Idka, Lejb, Chenoch en Eli. Deze foto werd gemaakt voor in een paspoort, dat ze nodig hadden voor de geplande reis naar Palestina. De oudste dochter, Bronka, die al getrouwd was, staat niet op de foto. Będzin, 1926.
Dina en Nahum Kohn. Krynica, jaren 20
Dina en Nahum Kohn. Krynica, jaren 20
Nahum Kohn met zijn dochters. Polen, jaren 30
Majer Kohn voor de winkel van zijn ouders in Modrzejowska Street in Sosnowiec. Sosnowiec, jaren 30
Renia en David Kohn. Rajcza, 1939
David Kohn. Polen, 1936.

"Ik fotografeerde veel. Ik had een Volkländer-camera, en later een Leica. Ik nam de foto van Hudka (Hadasa) en Bronka en de kinderen toen ik ze toevallig tegen het lijf liep na mijn werk. Thuis ontwikkelde ik de foto's meteen, zodat ik ze aan hen kon laten zien."

Eli Broder, het enige lid van de familie dat de Holocaust overleefde

De laatste foto van de familie, genomen door Eli Broder. Eerste rij vanaf links: David Kohn, Hadesa Broder, Renia Kohn; tweede rij: Bronka Kohn en het kindermeisje. Będzin, 1939.
De bruiloft van Fajgla Rypsztajn en Lejb Broder. Eerste rij vanaf links: Hadasa Broder, David Kohn, Renia Kohn, Fajgla Broder, Idka Broder; tweede rij: Bronka Kohn en Fajgla Broder. Będzin, 1941. Fotograaf: fotograaf J. Goldcwajg
Verlovingsfoto van Hadasa Broder en David Szlezyngier. Będzin, na 1939.

DE FAMILIE MAŁACH

Chana Pesia en Aron Josef Małach kwamen uit Maków Mazowiecki, een klein stadje in de buurt van Warschau. In 1905 verhuisden ze met hun acht zonen naar Będzin. Daar bouwden drie van de zonen een fabriek waar ze voor Poolse slagers worstvellen, gemaakt van runderdarm, produceerden.

De vierde zoon, Welwel, handelde in grondstoffen voor de lijmproductie. Eén van die grondstoffen was runderbloed, dat hij kocht in een slachthuis en vervolgens doorverkocht aan andere producenten. Voor de oorlog vertrokken twee broers naar Palestina. In 1939 kwam een van hen terug naar Polen omdat z'n bedrijf er geen succes werd.

Rafael Małach, de volgende van de acht broers van Chana Pesia en Aron Josef Małach, trouwde met zijn nicht Malka Ruchel Blum. Ze verhuisden samen van Będzin naar Dąbrowa Górnicza, een nabijgelegen industriestad in een regio met veel koolwinningsindustrie. Daar bouwde hij samen met zijn vriend Rafael Małach net zo'n fabriek als zijn broers; alleen ging zijn fabriek failliet en keerde Rafael terug naar het familiebedrijf. Rafael en Malka Ruchel Małach kregen zeven kinderen: Icchak, Zysze, Frymet, Syma, Estera, Wolf (die nu Ze'ev heet) en Abraham.

Ze'ev Małach, die nu in Israël woont, vertelt het verhaal van zijn familie: "We waren een gezin met veel kinderen. Als we tijdens Poeriem (Lotenfeest) met de hele familie bijeenkwamen bij onze grootmoeder Chana Pesia, was het altijd een drukte van belang. Oma regeerde de familie met straffe hand. Ze zorgde ervoor dat de succesvolle broers de broers hielpen die het minder goed hadden, waaronder mijn vader. Elke avond kwam de hele familie bijeen bij onze grootmoeder in Będzin. Mijn vader bracht drie à vier keer per week te voet een bezoek aan haar. Mijn grootvader was zo fit als een hoentje; Raschi las zonder bril, had al z'n tanden nog, deed mee aan het dagelijkse reinigingsritueel en begon net grijs te worden. Na het mikwe at hij een haring die hij wegspoelde met een slok wodka. Dan voelde hij zich op z'n best."

Zysze en Icchak, de oudste zonen van Rafael en Malka, waren zeer getalenteerde klussers. Ze'ev herinnert zich dat Icchak voor de oorlog in zijn eentje uit verschillende onderdelen een fotocamera in elkaar zette. Waarschijnlijk maakte hij veel familiefoto's.

De broers waren lid van verschillende politieke organisaties: Icchak en Zysze waren communisten, Estera hoorde bij Haschomer Hacair, Frymet was actief in Gordonia, Syma in Bund en Ze'ev in Haschomer Hadati. Ze'ev vertelt: "Ons huis was opgedeeld in vijf kampen, maar toch waren we één gezin zonder interne ideologische conflicten." Sommige broers kwamen vanwege hun politieke activiteiten in aanvaring met de Poolse autoriteiten. Icchak Małach werd een keer gearresteerd omdat hij een rode vlag uithing. In 1937 moest Syma met haar echtgenoot David Krauze, een actieve communist in Dąbrowa Górnicza, Polen ontvluchten, omdat hij door de autoriteiten op de hielen werd gezeten. Ze leefden twee jaar illegaal in Frankrijk. In 1934 trouwde Icchak Małach met Sara Ruda en verhuisden ze naar Będzin.

In 1937 werd hun zoon Abraham geboren.

Sara's familie was afkomstig uit Warschau, waar haar vader als vishandelaar werkte in de Joodse wijk.

Sara Małach werkte als verloskundige in het Joodse ziekenhuis 'Bikur Cholim' in Będzin.

Icchak Małach werkte eerst in de drukkerij van zijn oom Aba, later richtte hij met zijn zwager zijn eigen bedrijf op. Ze'ev vertelt: "Mijn vader wilde dat ik een verkoper zou worden. Sinds mijn veertiende werkte ik in een stoffenwinkel, maar ik vond dat geen leuk werk, dus begon ik met het sorteren van ritsen. Ik had ook veel gevoel voor kleur. Als er vrouwen de winkel binnenkwamen, werd ik geroepen om ze te adviseren. Daarna werkte ik in de drukkerij van mijn oom." Ze'ev trouwde vlak nadat de oorlog uitbrak met Itka en vluchtte naar de Sovjet-Unie.

Icchak, Sara en Abraham Małach bleven in Będzin en overleefden de Holocaust niet.

Grootmoeder Chana Pesia stierf voor de oorlog en Aron Josef werd na 1939 vermoord. Waar hij is omgekomen, is niet bekend.

Kort voor de oorlog werden Syma Małach en David Krauze verbannen uit Frankrijk en gingen ze naar Polen. Vanuit Polen vluchtten ze naar de Sovjet-Unie. Ze'ev vertelt: "Syma stierf in mijn armen in 1943, in Samarkand, als gevolg van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Op de vlucht voor de Duitsers wisten Itka en ik Taschkumir in Siberië te bereiken. Daar werkte ik in een mijn. Toen ik hoorde dat Syma ziek was, ging ik meteen naar haar toe, wat zeker niet zonder gevaar was. Syma overleed in Samarkand, waar ze ook is begraven."

In 1939 vluchtte Zysze Małach naar de Sovjet-Unie. In 1945 keerde hij terug naar Polen. Ze'ev, Itka en de kinderen volgden in 1946. Het enige lid van hun 178-koppige familie dat ze daar vonden, was Zysze. Ze besloten Polen te verlaten en emigreerden naar Palestina.

Zysze stierf in 1985 in Israël.

Ze'ev en Itka wonen in Herzlia.

Chana en Aron Małach met hun zonen. Eerste rij vanaf links: Jankiel David, Aron Józef, Chana Pesia, Rafael Hirsz, Chana Pesia, Rafael Hirsz; tweede rij: Aba, Icchak Mordechai, Welwel Benjamin, Mosze Pinkas, Lajb, Jechi’el. Będzin, 31 oktober 1928.

"We waren een gezin met veel kinderen. Als we tijdens Poeriem (Lotenfeest) met de hele familie bijeenkwamen bij onze grootmoeder Chana Pesia, was het altijd een drukte van belang. Oma regeerde de familie met straffe hand. Ze zorgde ervoor dat de succesvolle broers de broers hielpen die het minder goed hadden, waaronder mijn vader.

Elke avond kwam de hele familie bijeen bij onze grootmoeder in Będzin. Mijn vader bracht drie à vier keer per week te voet een bezoek aan haar."

Wolf (nu Ze'ev) Małach

Malka Ruchel en Rafael Małach met hun kinderen. Eerste rij vanaf links: Wolf, Malka Ruchel met Abraham op har schoot, Rafael Hirsz, Syma, Frymet; tweede rij: Estera, Icchak, Zysze. Polen, de jaren 20.

"Ons huis was opgedeeld in vijf kampen, maar toch waren we één gezin zonder interne ideologische conflicten." Wolf (nu Ze'ev) Małach

Icchak, Sara en Zysze Małach met hun vrienden. Vooraan, eerste van links, Itche Gutman met rechts naast hem Sara. Daarachter, vierde van links, Adela Schneiberg en Wowa Reichkind. Uiterst rechts staat Icchak. Polen, jaren 30.
Sara Małach aan het werk in het ziekenhuis
Sara en Abraham Małach op de kraamafdeling
De familie Małach: Sara met Abraham op schoot, met naast hen Sara's ouders, Rafael Hirsz en Icchak
Sara, Icchak en Abraham Małach. Będzin, 29 december 1942
Abraham Małach. Będzin, 1943

DE FAMILIE KOPLOWICZ

Aron Koplowicz en zijn vrouw Rywka hadden zeven kinderen: Judl, Mirele, Helcia, Szlomo, Roza, Cesia en Sara. Aron Koplowicz was een rijke koopman, de eigenaar van een stoffenwinkel aan de Oude Markt in Będzin. De Koplowiczs waren een devote familie: Aron hoorde bij Gerer-Rabbi Chassidim, een groep chassidim rond een tzaddik uit Golgotha. Hij was een gerespecteerd lid van de Joodse gemeenschap.

De kinderen van Aron en Rywka werden streng-religieus opgevoed.

Mirele, de oudste dochter, stond in de winkel van de familie op de Oude Markt. Ze stierf op jonge leeftijd. Na haar vroegtijdige dood werd de winkel overgenomen door Szlomo.

De Koplowiczs gingen regelmatig op vakantie naar hun favoriete vakantiebestemmingen, waaronder Kamińsk, Krynica, Rabka en Łódź, waar hun tweede dochter, Helcia Zajdman, woonde met haar gezin. Chana Koplowicz, een familielid, kan zich haar bruiloft nog herinneren, die plaatsvond in Będzin. "Toen de zusjes Zajdman binnenkwamen, was ik erg verbaasd: ze droegen gouden schoenen, lange jurken en elegante blonde pruiken. Ik herinner het me als de dag van gisteren." De dochters van Aron Koplowicz waren altijd erg modieus en elegant gekleed, in sterk contrast met de strenge kledingstijl en houding van hun vader. Op veel foto's staat Roza Koplowicz afgebeeld als moderne jonge vrouw, in de bloei van haar leven. Nadat de Duitsers Polen hadden bezet, keerde de oudste dochter, Helcia Zajdman, met haar man en kinderen terug naar Będzin. De hele familie leefde dicht op elkaar: "Deze grote familie van bijna 30 mensen moest leven in drie kleine ruimtes in de joodse wijk. Helcia en haar kinderen, haar oudere broer Judl met zijn zeven kinderen, de ouders en de broers, iedereen woonde bij elkaar. Het was een huisje met maar één verdieping." De stoffenwinkel van Koplowicz was in beslag genomen en toegewezen aan een Duitse opzichter.

Door de arisering van Joodse bedrijven en winkels verloren de Joodse eigenaren niet alleen hun eigendommen, maar vaak ook hun banen en inkomen. Roza en Cesia Koplowicz werkten in een winkel die was overgenomen door 'Ariërs'. Zo konden ze een tijdje voorkomen dat ze werden gedeporteerd. Chana Koplowicz beschrijft hoe mensen in de Joodse wijk probeerden te overleven: "De opzichters in Małachowskiego Street hadden boekhouders nodig. Ik ontmoette een opzichter van een van onze Joodse buren, die een ijzerhandel bezat. Deze opzichter zat bij de SA en heette Völkel. Hij was opzichter van vijf Joodse winkels. Ik zette in elk van deze winkels een familielid neer. Zo konden ze speciale vergunningen krijgen van speciale SA-ambtenaren die verantwoordelijk waren voor het werk van buitenlanders. Mensen zonder zulke vergunningen werden naar werkkampen gestuurd." Veel stelletjes trouwden in de joodse wijk. Dit voorkwam tijdelijk dat de mannen werden gedeporteerd. Tegelijkertijd waren deze huwelijken een poging om ook onder deze onmenselijke omstandigheden het normale leven te laten doorgaan. Roza Koplowicz trouwde begin 1943. Chana trouwde ook in de joodse wijk. Ze kregen allebei kinderen, maar ze overleefden de Holocaust niet. Toen de joodse wijk werd gesloten, verscholen Chana en haar man zich in een bunker. Na een paar weken raakten hun voedselvoorraden op. "We besloten de schuilplaats te verlaten. We konden ons wassen en werden geholpen door de opzichter waarvoor ik werkte in de joodse wijk. Hij vertelde ons dat een Duitse bewaker elke ochtend 50-60 Joden langs zijn huis leidde, van het weeshuis naar de joodse wijk. 's Avonds leidde hij ze weer terug naar het weeshuis. Het waren Joden die in het zogenaamde 'Aufräumungskommando' werkten en de verlaten joodse wijk moesten schoonmaken. De opzichter gaf hen een briefje van mij, waarin ik vroeg of ze ons wilden opnemen in hun groep. Na de 'zuivering' van de Joden, bleven er voor ons twee opties over: onderduiken bij vriendelijke niet-Joden of opgenomen worden in het Aufräumungskommando. We kregen het advies om ons stiekem aan te sluiten bij de groep wanneer ze naar de joodse wijk werden geleid. Dit moest doordacht gebeuren. We moesten de plaats innemen van Joden die hadden besloten te ontsnappen. De lijst met namen van de Duitse opzichters moest kloppen – niemand mocht ontbreken en er mochten ook geen extra namen op staan. In de loop der tijd werd de groep steeds kleiner; alleen de mensen met de juiste connecties mochten blijven. Ik werd naar een werkkamp gestuurd." De meeste leden van de familie Koplowicz werden naar Auschwitz gedeporteerd en vermoord. Chana Koplowicz vertelt: "Het gezin van mijn oom Aron Koplowicz werd gedeporteerd tijdens de 'zuivering' van de joodse wijk. De enigen die ik later terugzag, waren Gelcia met haar man en kinderen. Die verscholen zich in een bunker en ik liep langs ze toen ik aan het werk was in het Aufräumungskommando. Ik weet niet hoe het ze later is vergaan. Waarschijnlijk hetzelfde als de anderen. Ze zijn naar Auschwitz gestuurd." Cesia was het enige kind van Aron en Rywka Koplowicz dat de Holocaust overleefde. Na de oorlog emigreerde ze naar Israël. Ze stierf in de jaren 80 in Jeruzalem. Ook Chana Koplowicz verliet Polen en leefde in Israël tot haar dood in 1997.

Ryfka Koplowicz en haar kinderen. Vanaf links: Cesia, Sara en Roza; tweede rij: Szlomo, Rywka, Mirele en Gelcia. Kamińsk, 1928.
Voor de stoffenwinkel van Koplowicz aan de Oude Markt in Będzin. Roza Koplowicz bij de ingang. Będzin, jaren 30.
Roza Koplowicz (eerste van links) en Cesia (derde van links). Het kind is waarschijnlijk een van de zonen van Gelcia Zajdman. Polen, jaren 30.
Rywka en Aron Koplowicz. Krynica, jaren 30
Roza Koplowicz met haar moeder. Krynica, 1937
Roza Koplowicz (rechts). Polen, jaren 30
Roza Koplowicz. Polen, jaren 30
Roza Koplowicz. Krynica, 1937
De bruiloft van Roza Koplowicz. Będzin, 1943

"Het gezin van mijn oom Aron Koplowicz werd gedeporteerd tijdens de 'zuivering' van de joodse wijk. De enigen die ik later terugzag, waren Gelcia met haar man en kinderen. Die verscholen zich in een bunker en ik liep langs ze toen ik aan het werk was in het Aufräumungskommando. Ik weet niet hoe het ze later is vergaan. Waarschijnlijk hetzelfde als de anderen. Ze zijn naar Auschwitz gestuurd." Chana Koplowicz (getrouwd met Zuberman), een familielid.

DE FAMILIE HUPPERT

Het enige dat bekend is over de familie Huppert, is wat we te weten zijn gekomen via de foto's en de teksten en opmerkingen die erop zijn geschreven. Mensen die de familie gekend hebben, zijn niet gevonden.

De Hupperts kwamen uit Cieszyn, een stad aan de Pools-Tsjechische grens. Roza en Josef hadden zes kinderen: Arthur, Adolf, Ferdynand, Mizzi en een zoon en dochter waarvan de namen onbekend zijn. Het was een rijke familie, ze leidden een erg luxe leven. De foto's uit de jaren 20 laten niet alleen losse momenten uit het leven van de familie zien, maar ook de bijzondere sfeer die hen omgaf. Arthur Huppert en zijn vrouw Grete trouwden op 9 januari 1938 in Opava. Na de geboorte van hun zoon Peter in 1938 woonden ze in Olomouc. Arthur zette zijn kind regelmatig op de foto en stuurde deze foto's met gedetailleerde omschrijvingen naar zijn ouders.

Arthur, Grete en Peter Huppert werden in de zomer van 1944 vermoord.

Op 29 april werd het hele gezin uit Theresienstadt naar Baranowicze getransporteerd, waar alle gezinsleden omkwamen.

Roza en Josef Huppert met hun kinderen (de naam van het kind vooraan is niet bekend). Middenin op de achterste rij staat Mizzi, omgeven door haar broers: Adolf, Arthur en Ferdynand, de naam van de vierde broer is onbekend. Cieszyn, jaren 30.
Adolf Huppert. Tsjecho-Slowakije, jaren 30
Arthur Huppert. Tsjecho-Slowakije, jaren 30
Mizzi Huppert. Cieszyn, 1933
De bruiloft van Mizzi Huppert. Tsjecho-Slowakije, jaren 30
Trouwfoto van Ferdynand en Hilda Huppert. Tsjecho-Slowakije, jaren 30
De bruiloft van Arthur en Grete Huppert. Opava, 1938. Fotograaf: Fotograaf Robert Spurny, Opava
Peter, zoon van Arthur en Grete Huppert. Cieszyn, 1939. Fotograaf: Fotograaf Elsner, Cieszyn
Arthur en Peter Huppert. Olomouc (Tsjecho-Slowakije), rond 1940
Arthur, Peter en Grete Huppert. Olomouc (Tsjecho-Slowakije), 1940
Peter Huppert. Olomouc (Tsjecho-Slowakije), 1940
Credits: verhaal

Teksty zaczerpnięto z książki "Zanim odeszli... Fotografie odnalezione w Auschwitz" pod red. Kersten Brandt, Hanno Loewy, Krystyna Oleksy.
Curator — Dr Maria Martyniak
Curator — Agnieszka Juskowiak-Sawicka
Excerpts taken from the book "Zanim odeszli... Fotografie odnalezione w Auschwitz" ("Before they perished... Photographs found in Auschwitz") by Kersten Brandt, Hanno Loewy, Krystyna Oleksy.
Curator — Dr Maria Martyniak
Curator — Agnieszka Juskowiak-Sawicka

Credits: alle media
Het uitgelichte verhaal kan in sommige gevallen zijn gemaakt door een onafhankelijke derde partij en kan afwijken van de standpunten van de hieronder vermelde instituten die de content hebben geleverd.
Vertalen met Google
Homepage
Verkennen
Dichtbij
Profiel