Bruegel en zijn omgeving, van Antwerpen tot Brussel

INLEIDING

Hoewel Bruegel de Oude tijdens zijn leven reeds erg beroemd was, is er tegenwoordig maar weinig informatie over hem beschikbaar.

Om zich toch een beeld te kunnen vormen van het leven van de grote Vlaamse meester moeten kunsthistorici zich dus baseren op de gekende historische feiten en op de analyse van zijn complexe oeuvre.

Zijn leven begint waarschijnlijk in Antwerpen, in die tijd een grote stad met een drukke economische activiteit rondom een snelgroeiende, internationale haven.

In 1563 verhuist de schilder naar Brussel waar hij tot zijn dood in 1569 verblijft. Bruegel kiest deze stad ongetwijfeld om dichter bij het hof te zijn, maar ook om meer persoonlijke redenen. Hij vestigt zich in de parochie van de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Kapellekerk, waar hij in het huwelijk treedt en enkele jaren later ook begraven wordt.

VAN ANTWERPEN....
HOOFDSTUK 1. De eerste jaren

1. HET MYSTERIE ROND DE PLAATS EN DATUM VAN ZIJN GEBOORTE

Bruegel moet ergens tussen 1526 en 1531 geboren zijn. Maar we hebben helaas geen officiële documenten uit die tijd die dit kunnen staven.

Slechts enkele indirecte bronnen kunnen historici helpen om zijn herkomst te duiden. Vijfendertig jaar na Bruegels dood, vertelt Karel van Mander, zijn eerste biograaf, dat hij geboren is in een Brabants dorp in de buurt van Breda, waar hij zijn naam aan te danken zou hebben omdat het in die tijd gespeld werd als ‘Brueghel’.

Over deze nogal vage aanwijzingen wordt door de specialisten nog altijd druk gediscussieerd. Is de kunstenaar geboren in Bree, Breda, Brogel of Breugel? Voor elk van deze hypothesen zijn argumenten te vinden en het zijn dus stuk voor stuk plausibele mogelijkheden.

2. ZIJN LEERTIJD BIJ PIETER COECKE VAN AELST EN MAYKEN VERHULST

Dezelfde Karel van Mander vermeldt tevens dat de jonge Bruegel leerling is geweest in het atelier van de schilder Pieter Coecke van Aelst. Dat atelier was toen niet alleen een van de grootste van de Zuidelijke Nederlanden, maar ook een van de meest vermaarde.

De data lijken te kloppen, maar uit de werken van Bruegel blijkt weinig invloed van zijn meester. Coecke wordt immers sterk beïnvloed door de Italiaanse Renaissance, terwijl Bruegel zijn loopbaan begint als landschapstekenaar in de traditie van Joachim Patinir.

Toch zijn er (naast de familiebanden die er later tussen hen zullen bestaan) een aantal aanwijzingen dat Bruegel inderdaad in de leer moet zijn geweest bij Coecke. Beide mannen hebben wel degelijk punten gemeen, zowel wat betreft de artistieke context van hun tijd als de onderwerpen die ze weergeven.

Mayken Verhulst, de tweede vrouw van Pieter Coecke van Aelst en de toekomstige schoonmoeder van Bruegel, zou hem overigens ook de beginselen van het miniatuurschilderen hebben bijgebracht. Hoewel geen enkel miniatuurschilderij van Bruegel bewaard is gebleven, vertonen zijn werken wel veel zin voor detail.

Pieter Coecke sterft in 1550. Eén jaar later, in 1551, schrijft Bruegel zich in het Antwerpse St.-Lucasgilde in onder de naam ‘Peeter Brueghels schilder’. Het is de eerste datum uit het leven van de schilder waarvan we zeker zijn. De inschrijving bij een gilde was bovendien voorbehouden aan de inwoners van de stad dus dit document bewijst meteen ook dat Bruegel, waar hij ook vandaan komt, in die tijd in elk geval in Antwerpen woonde.

In datzelfde jaar, 1551, krijgt hij zijn eerste bestelling. Voor het gilde van de handschoenmakers schildert de dan nog onbekende Bruegel de zijluiken van een altaarstuk voor de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen.

De rest van het altaarstuk wordt uitgevoerd door de schilder Pieter Balten, die op dat moment wellicht bekender is dan Bruegel. De ironie wil echter dat hij later beschouwd zal worden als een van de volgelingen van Bruegel.

3. DE REIS NAAR ITALIË

Tussen 1553 (mogelijk 1552) en 1554 onderneemt Bruegel zijn reis naar Italië - in de 16e eeuw een belangrijke etappe in de opleiding van schilders.

Ook hier ontbreekt het ons weer aan voldoende bronnen om zijn parcours met zekerheid te kunnen traceren. Waarschijnlijk reisde hij via de Alpen, bezocht hij Rome, de Eeuwige Stad, en misschien ook Venetië. Tijdens een deel van zijn reis zou hij het gezelschap hebben gehad van de schilder Maerten de Vos en de beeldhouwer en medailleur Jacob Jongelinck. Als we ons baseren op bepaalde tekeningen, zoals dit Gezicht op Reggio di Calabria aan de Straat van Messina, zou Bruegel tot ver in het zuiden van het schiereiland afgedaald zijn.

“In zijn reysen heeft hy veel ghesichten nae t'leven gheconterfeyt, soo datter gheseyt wort, dat hy in d'Alpes wesende, al die berghen en rotsen had in gheswolghen, en t'huys ghecomen op doecken en Penneelen uytghespogen hadde, soo eyghentlijck con hy te desen en ander deelen de Natuere nae volghen”
(Karel van Mander, “Pieter Brueghel, uytnemende Schilder van Brueghel”, Schilder-Boeck, 1604).

Na zijn avontuur in Italië zou Bruegel tussen 1554 en 1555 naar Antwerpen zijn teruggekeerd.

In die tijd is Antwerpen als internationale handelsstad belangrijker dan Brugge. In de 16e eeuw, de eeuw van de grote ontdekkingsreizen, verhandelt de Antwerpse haven dagelijks een grote hoeveelheid koopwaar; de stad kent dan ook een explosieve groei. Hoewel de oude aristocratische elite nog altijd een belangrijke rol speelt, ontstaat er geleidelijk een nieuwe stand die zich steeds meer bewust wordt van zijn economische en politieke macht: de kooplieden.

Te midden van deze bloeiende activiteit en in de nabijheid van een stevig netwerk van Europese geleerden en humanisten - die onder andere worden aangetrokken door uitgevers als Christoffel Plantijn en Hiëronymus Cock - ontbreekt het kunstenaars en ambachtslieden zeker niet aan bestellingen.

Vanaf 1555 werkt Bruegel samen met Cock, eigenaar van het uitgevershuis "In de Vier Winden". Cock publiceert allereerst een serie van twaalf Grote Landschappen, die Bruegel van zijn reis heeft meegenomen.

Pas in 1562 gaat Bruegel zich exclusief toeleggen op de schilderkunst.

Uit datzelfde beslissende jaar dateert zijn schitterende Val der opstandige engelen, het meesterwerk dat vandaag in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België wordt bewaard.

4. DE EERSTE OPDRACHTGEVERS VAN BRUEGEL IN ANTWERPEN

Tijdens zijn leven geniet Bruegel reeds grote bekendheid. Zelfs in zijn Antwerpse tijd heeft hij meerdere opdrachtgevers. Hoewel die banden niet altijd gemakkelijk zijn vast te stellen, kan aan de hand van de inventarissen van prinselijke of burgerlijke collecties in elk geval het parcours van bepaalde werken worden getraceerd.

Neem bijvoorbeeld de collectie van Nicolaes Jongelinck (de broer van Jacob Jongelinck in wiens gezelschap Bruegel naar Italië zou zijn gereisd). Jongelinck is een rijke Antwerpse koopman en de grootste opdrachtgever van Bruegel. Hij bezit maar liefst zestien schilderijen van de schilder, waaronder een Toren van Babel (die uit Rotterdam of Wenen).

Maar onder zijn opdrachtgevers van het eerste uur zijn ook eminente persoonlijkheden als de beroemde geograaf en humanist Abraham Ortelius of de directeur van de Antwerpse Munt Jean Noiret. Deze laatste zou vijf werken van Bruegel in zijn bezit hebben gehad, onder meer De Boerenbruiloft.

Het laatste schilderij dat bekend is uit Bruegels Antwerpse tijd is het paneel Twee Apen uit 1562, bewaard in de Gemäldegalerie te Berlijn.

Dit schilderij toont een dubbel beeld van de stad Antwerpen. Op de achtergrond schildert Bruegel een uitzicht op de stad in de mist, waarin volgens bepaalde onderzoekers zelfs de Schelde is te zien. Op de voorgrond verwijst hij naar de handel in exotische dieren in de haven (in dit geval roodkopmangabeys). Sommigen zien in de aanwezigheid van deze apen, als symbool voor de menselijke gebreken, een moraliserende interpretatie van de schilder ten aanzien van de belastingen die de stad int op alle handelswaren die de rivier overgaan.

… TOT BRUSSEL.
HOOFDSTUK 2. Intense artistieke activiteit

1. 1563. VERHUIZING EN HUWELIJK

In 1563 verhuist Bruegel naar Brussel. Dat weten we omdat hij daar trouwt met Mayken Coecke, de dochter van Pieter Coecke van Aelst en Mayken Verhulst. Hun verbintenis wordt gevierd in de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Kapellekerk (‘Peeter brùgel Mayken cocks soluit’).

Het huwelijksregister van de parochie is een van de weinige documenten die nog bestaan. Zijn trouwdatum is hierdoor een van de weinige zekerheden uit het leven van de schilder.

De echtgenoten kennen elkaar al lang. Volgens Karel van Mander wandelde Bruegel, toen hij nog leerling was bij Pieter Coecke, regelmatig door het atelier van zijn meester, met op zijn arm het meisje dat vijftien jaar later zijn vrouw zou worden.

Maar specialisten ontdekten kort geleden een op zijn minst verrassend feit. Dankzij archiefonderzoek kon onlangs de akte van ondertrouw van Bruegel worden teruggevonden, niet in Brussel, maar in de registers van de kathedraal van Antwerpen. Dat is nogal onverwacht voor een tijd waarin men gewoonlijk trouwde in de stad waar men in ondertrouw was gegaan.

De ontdekking verleent in elk geval geloofwaardigheid aan de bewering van Karel van Mander dat Mayken Verhulst de schilder onder druk had gezet: ze zou haar goedkeuring aan het huwelijk tussen Bruegel en haar dochter slechts geven als de schilder afstand zou nemen van een vroegere relatie in Antwerpen.

Uit het huwelijk worden drie kinderen geboren: Pieter Brueghel de Jonge (‘Helse Brueghel’) in 1564, in 1566 een dochter, Marie, en in 1568 Jan Brueghel (‘Fluwelen Brueghel’).

Marie wordt maar zelden vermeld en krijgt nauwelijks aandacht van historici, in tegenstelling tot haar twee broers die net als hun vader schilder worden.

Tussen 1563 en 1568 schildert Bruegel, voor zover bekend, negenentwintig werken. Zijn techniek wordt vloeiender en zelfverzekerder. Naarmate zijn werk vordert, verwerven zijn schilderijen een grotere rijpheid. De schilder krijgt dan ook al snel erkenning van zijn gelijken.

Zo wordt Bruegel in 1568 een ‘uitnemende meester’ genoemd door Giorgio Vasari. Vasari doet dit in de tweede editie van zijn beroemde boek De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten, dat aan de basis ligt van de kunstgeschiedschrijving.

Citation: “Een gediversifieerde productie met heel veel meesterwerken die getuigen van zijn genie en zijn menselijke visie, alsook de overheersende kracht van zijn taal.”
(Ph. & F. Roberts-Jones, 1997, p. 20)

2. ZIJN OPDRACHTGEVERS IN BRUSSEL

Ook al beweert Karel van Mander dat de schilder door zijn schoonmoeder werd gedwongen te verhuizen om een vroegere relatie te vergeten, neemt dit niet weg dat deze verhuizing ook te maken kan hebben met toenaderingspogingen tot nieuwe potentiële opdrachtgevers, naar het voorbeeld van zijn schoonvader enkele jaren eerder. Brussel is in die tijd immers het administratieve centrum van de Nederlanden.

Tijdens zijn Brusselse jaren heeft kardinaal Antoine Perennot de Granvelle, aartsbisschop van Mechelen en belangrijk adviseur aan het hof van Brussel, in elk geval meerdere belangrijke werken van de schilder aangekocht, zoals De vlucht naar Egypte en, volgens recente onderzoeken van Tine Meganck, De val der opstandige engelen.

HET BRUEGELHUIS
HOOFDSTUK 3. In het hart van de Marollen

Na het overlijden van Irène Heulens-Vandermeiren in 2007 werd het Bruegelhuis, gelegen aan de Hoogstraat 132 in het historische hart van de Marollen, geschonken aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België.

Het staat vast dat de schilder in deze parochie heeft gewoond (de wijk was toen erg populair bij ambachtslieden die Brussel zo rijk maakten), maar helaas kan tegenwoordig niet meer worden vastgesteld of hij daadwerkelijk in dit huis was gevestigd. Wat we wel weten is dat zijn achterkleinzoon, David Teniers III, er zeker heeft verbleven.

Hoe het ook zij, het oude huis uit de 16e eeuw getuigt in elk geval van een belangrijke historische periode, zodat de bezoeker zich een beeld kan vormen van het leven van de kunstenaar binnen diens oorspronkelijke context.

Dr. Joost Vander Auwera, conservator Oude Kunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, licht de band toe tussen Pieter Bruegel de Oude en dit gebouw in de Hoogstraat.

Het legaat Irène Heulens-Vandermeiren omvat naast het huis ook een aantal voorwerpen die zij samen met haar echtgenoot, Frans Heulens, heeft verzameld.

Die voorwerpen uit de tijd van Bruegel getuigen van het dagelijks leven in die tijd. Ze zijn nuttig om te begrijpen hoe de schilder te werk ging.

Zo zat tussen de voorwerpen de steen waarop hij zijn pigmenten met een stamper zou hebben verpulverd...

...en een geëmailleerde olielamp uit de 16e eeuw die hij misschien aan het eind van de dag gebruikte om zijn werk te bewonderen.

Veel van de voorwerpen zijn ook op zijn schilderijen te zien zoals de kruiken en kommen...

...die door de schilder worden afgebeeld op het schilderij De Wijn van het Sint-Maartensfeest, een werk waarvan het origineel onlangs is teruggevonden in Spanje, en dat sindsdien bewaard wordt in het Prado Museum te Madrid.

Dr. Joost Vander Auwera, conservator Oude Kunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, vertelt ons over het leven van 16de-eeuwse schilders.

DE ONZE-LIEVE-VROUW-TER-KAPELLEKERK
HOOFDSTUK 4.

Bruegel sterft in 1569 te Brussel, maar de exacte datum van zijn dood is onbekend (5 of 9 september, of misschien ook 13 december).
De schilder is begraven in een van de zijbeuken van de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Kapellekerk, vlakbij de Zavel. Mayken Coeck, zijn vrouw, zal er enkele jaren later, in 1578, eveneens begraven worden.

Hun zoon Jan Brueghel de Jonge, de Fluwelen Brueghel, richt er ter ere van zijn ouders een grafmonument op.

Dr. Joost Vander Auwera, conservator Oude Kunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, vertelt ons waar Pieter Bruegel begraven is en waarom.

Op het grafmonument staat in het Latijn de volgende inscriptie:

“Aan Pieter Bruegel, schilder met een feilloze activiteit en een elegante kunst, die zelfs lof verdient van de Natuur zelve, moeder aller dingen, die door de allerbeste kunstenaars bewonderd wordt en die door zijn volgelingen vergeefs nagebootst wordt. Eveneens aan Marie Coeucke, zijn echtgenote, heeft Jean Brueghel heel vroom [deze steen] laten oprichten voor zijn dierbare ouders . [...]”

Bij zijn vriend, de schilder Rubens, bestelt Jan Brueghel het schilderij dat het monument siert. De barokke meester die een grote bewonderaar van Bruegel de Oude is, zet de patroonheilige van de kunstenaar neer in zijn werk getiteld Christus geeft de sleutels aan de Heilige Petrus, dat vandaag bewaard wordt in de Gemäldegalerie te Berlijn.

In 1676 wordt het monument gerestaureerd door David Teniers III, nakomeling van de Bruegel-dynastie (kleinzoon van Jan Brueghel).

Dr. Joost Vander Auwera, conservator Oude Kunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, vertelt ons over het grafmonument van Pieter Bruegel de Oude.

Dr. Joost Vander Auwera, conservator Oude Kunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, kijkt terug op de band tussen Bruegel en Rubens.

CONCLUSIE
Ondanks het gebrek aan betrouwbare bronnen is het dankzij enkele aanknopingspunten toch mogelijk het parcours van Bruegel de Oude te traceren tussen Antwerpen en Brussel, twee grote steden die in die tijd in volle artistieke en culturele bloei zijn. Verder weten we dat de schilder op het moment van zijn dood net een bestelling heeft gekregen - de enige officiële bestelling ooit - om de graafwerkzaamheden te schilderen aan de Willebroekse vaart (ingehuldigd in 1575), die beide geografische polen moest verbinden. De schilder sterft echter voordat hij de bestelling kan uitvoeren. Hij is slechts 43 jaar oud. Aan het eind van zijn korte carrière heeft Bruegel niettemin een indrukwekkend oeuvre opgebouwd, ook al blijven daar maar een veertigtal schilderijen van over. "Ik noem hem niet de beste onder de schilders, maar de natuur onder de schilders” [...] . In al zijn werken is er altijd meer aanwezig dan wat hij schilderde ” (Abraham Ortelius, "Album Amicorum", 1573).
Royal Museums of Fine Arts of Belgium
Credits: verhaal

COÖRDINATIE & REDACTIE
Jennifer Beauloye

WETENSCHAPPELIJK TOEZICHT
Joost Vander Auwera

BRONNEN
-Manfred Sellink, Bruegel : L'oeuvre complet, Peintures, dessins, gravures, Gand, Ludion, 2007.
-Philippe Roberts-Jones et Françoise Roberts-Jones-Popelier, Pierre Bruegel l'Ancien, Paris, Flammarion, 1997.

MET DANK AAN
Véronique Bücken, Joost Vander Auwera, Laurent Germeau, Pauline Vyncke, Lies van de Cappelle, Karine Lasaracina, Isabelle Vanhoonacker‎, Gladys Vercammen-Grandjean, Marianne Knop‎.

COPYRIGHTS
© Graphische Sammlung Albertina, Wien
© KBR, Bruxelles
© Royal Museums of Fine Arts of Belgium, Brussels / photo : J. Geleyns / Ro scan
© Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam / Studio Buitenhof, The Hague
© Staatliche Museen zu Berlin
© Klassik Stiftung, Weimar
© D-Sidegroup

Credits: alle media
Het uitgelichte verhaal kan in sommige gevallen zijn gemaakt door een onafhankelijke derde partij en kan afwijken van de standpunten van de hieronder vermelde instituten die de content hebben geleverd.
Vertalen met Google
Homepage
Verkennen
Dichtbij
Profiel