27 jan. 1945

DE EVACUATIE EN BEVRIJDING VAN KAMP AUSCHWITZ

Auschwitz-Birkenau State Museum

DE EVACUATIE EN OPHEFFING VAN HET KAMP

In de tweede helft van 1944, toen het Russische Rode Leger successen behaalde en het Geallieerde oostelijke front optrok, evacueerden de SS-autoriteiten in het nazi-Duitse kamp Auschwitz zo'n 65.000 gevangenen naar andere kampen dieper in het Duitse Rijk. Ze begonnen ook bewijs van de misdaden te vernietigen die in het kamp waren begaan: er werden documenten verbrand, de putten met menselijke asresten werden afgedekt, het gebouw van crematorium IV werd ontmanteld en er werden voorbereidingen getroffen om de andere crematoriumgebouwen op te blazen. De overgebleven bouwmaterialen en bezittingen die waren geroofd van Joodse slachtoffers en waren opgeslagen in de 'Canada'-pakhuizen, werden nu ook naar de binnenlanden van het Derde Rijk getransporteerd. De Duitsers slaagden er echter niet in al het bewijs van hun misdaden uit te wissen en alle geroofde bezittingen mee te nemen.

Luchtfoto van Auschwitz I, genomen door de Geallieerden op 14 januari 1945, drie dagen voordat de evacuatie begon. Bron: Archiwum Państwowego Muzeum Auschwitz-Birkenau (archieven van het staatsmuseum Auschwitz-Birkenau, hierna 'APMA-B' genoemd)
Luchtfoto van Auschwitz II-Birkenau, genomen door de Geallieerden op 14 januari 1945, drie dagen voordat de evacuatie begon. Bron: APMA-B.
Luchtfoto van Auschwitz III, genomen door de Geallieerden op 14 januari 1945, drie dagen voordat de evacuatie begon. Bron: APMA-B.

Op 12 januari 1945 lanceerde het Rode Leger zijn offensief in de centraal gelegen regio Wisła en brak door de Duitse verdedigingslinie. Toen de Sovjet-eenheden Krakau naderden, zo'n 70 kilometer van Auschwitz (Oświęcim), besloten de SS-autoriteiten het kamp te evacueren.

Van 17 tot 21 januari leidden SS-soldaten zo'n 56.000 gevangenen weg uit de kampen en subkampen en dwongen hen tientallen kilometers te lopen in barre winterse omstandigheden. De hoofdroutes van de mars leidden naar Wodzisław Śląski en Gliwice, vanwaar de gevangenen per trein naar andere concentratiekampen werden getransporteerd. Sommige gevangenen werden echter gedwongen de hele weg naar het bestemmingskamp te voet af te leggen. Slechts ongeveer 2200 gevangenen uit de subkampen Laurahütte en Eintrachthütte werden op 23 en 24 januari per trein naar Mauthausen getransporteerd.

Gevangenen die tijdens de evacuatie te uitgeput raakten om verder te lopen of die probeerden te ontsnappen, werden doodgeschoten door het SS-escorte. Alleen al in Opper-Silezi√´ en de Opole-regio zijn hierdoor naar schatting 3000 mensen omgekomen, terwijl er tijdens de volledige evacuatie in totaal tussen de 9000 en 15.000 Auschwitz-gevangenen zijn gedood. 

De SS verliet het kamp op hetzelfde moment en nam een deel van de geplunderde bezittingen mee. Bovendien vernietigden ze een deel van de aanwezige documenten voordat ze vertrokken.

Jerzy Brandhuber, Evacuatie (1946). Bron: collectie van PMA-B.
Zbigniew Otfinowski, Evacuatiemars (1946). Bron: collectie van PMA-B.
Mieczysław Kościelniak, De verbranding van documenten (1945). Bron: collectie van PMA-B.
Fragment van een film, in het geheim gefilmd met een amateurcamera door Jindřich Kremer. In de film is een evacuatietransport te zien van gevangenen uit het nazi-Duitse kamp Auschwitz dat het station in Kolin passeert (in het Protectoraat Bohemen en Moravië) op 24 januari 1945. Bron: APMA-B.

In de laatste dagen bleven er zo'n 9000 gevangenen achter in het kampcomplex Auschwitz. De meesten van deze gevangenen waren ziek of fysiek uitgeput. Velen van hen waren ervan overtuigd dat de Duitsers hen wilden vermoorden. Het is niet duidelijk of dat bevel daadwerkelijk is uitgevaardigd, maar feit is dat de SS in Birkenau een massavernietiging uitvoerde van in totaal 300 Joden en een aantal Sovjet-krijgsgevangenen. De SS doodde bovendien ongeveer 400 Joodse gevangenen in de subkampen Blechhammer, Fürstengrube, Gleiwitz IV en Tschechowitz-Vacuum door hen dood te schieten of levend te verbranden. Desondanks overleefden de meeste in de kampen achtergelaten gevangenen. Dat komt waarschijnlijk door de weggevallen discipline en de haast van de SS'ers, die Auschwitz zo snel mogelijk wilden verlaten.

De SS-soldaten verlieten hun permanente wachtposten in het kamp op 20 of 21 januari. Vanaf dat moment voerde de SS alleen nog patrouilles uit. Bovendien trokken terugtrekkende Wehrmacht-soldaten door het kamp en plunderden de pakhuizen. Op 20 januari, kort na de evacuatie, bliezen de laatste SS-functionarissen crematoria en gaskamers II en III op. De volgende dag staken ze de 'Canada'-pakhuizen in Birkenau in brand, omdat ze de rest van de geroofde bezittingen niet konden meenemen. De brand woedde enkele dagen en vernietigde vrijwel alle bezittingen. Op 26 januari blies de SS uiteindelijk crematoriumgebouw V op.

Foto van gevangene nummer 78161. Bron: APMA-B.
Foto van gevangene nummer 7843. Bron: APMA-B.

Foto's uit gevangenendossiers die zijn gemaakt door de SS, met zichtbare schroeiplekken op de negatieven. In de laatste dagen van het kamp moesten al deze dossiers worden vernietigd, maar sommige gevangenen durfden de taken te saboteren die hen door de SS waren toegewezen en daarmee enkele van de documenten te redden. Zo werd Wilhelm Brasse en Bronisław Jureczek opgedragen afgedrukte foto's van gevangenen en negatieven te verbranden. Ze doofden het vuur echter voordat de negatieven waren verbrand, in strijd met hun orders. Dankzij hun moedige daad wisten deze gevangenen zo'n 39.000 negatieven te redden, waarvan slechts enkele deels waren beschadigd.

Bron: APMA-B.

De SS-soldaten verlieten hun permanente wachtposten in het kamp op 20 of 21 januari. Vanaf dat moment voerde de SS alleen nog patrouilles uit. Bovendien trokken terugtrekkende Wehrmacht-soldaten door het kamp en plunderden de pakhuizen. Op 20 januari, kort na de evacuatie, bliezen de laatste SS-functionarissen crematoria en gaskamers II en III op. De volgende dag staken ze de 'Canada'-pakhuizen in Birkenau in brand, omdat ze de rest van de geroofde bezittingen niet konden meenemen. De brand woedde enkele dagen en vernietigde vrijwel alle bezittingen. Op 26 januari blies de SS uiteindelijk crematoriumgebouw V op.

Auschwitz II-Birkenau. Deel van het vernietigde crematorium en gaskamer II, die op 20 januari 1945 werd opgeblazen. Op de voorgrond is de ingang naar de ontkleedruimte zichtbaar. De foto is genomen door Stanisław Mucha in februari of maart 1945. Bron: APMA-B.
Fragment uit de Sovjet-film 'Kroniek van de bevrijding van Auschwitz' die kort na de bevrijding van het kamp is gemaakt. Bron: APMA-B.

Behalve de zieken en zwakken was er een kleine groep gevangenen in het kamp die relatief fit en sterk waren, maar die zich tijdens de evacuatie hadden verstopt. De leden van de medische staf voor gevangenen verzorgden de zieken, probeerden hen zo veel mogelijk van medicijnen te voorzien, verschoonden hun verband, deelden etensrantsoenen uit en probeerden de moed erin te houden. De kinderen werden extra goed verzorgd, vooral de kinderen zonder ouders. Ze werden in afzonderlijke blokken ondergebracht en kregen extra eten. Na de evacuatie van het kampcomplex van Auschwitz bleven er zo'n 9000 gevangenen achter, waarvan de meesten ziek en uitgemergeld waren. Ze verbleven voornamelijk in Auschwitz I (het hoofdkamp), Auschwitz II-Birkenau (sectoren BIIe en BIIf), Auschwitz III-Monowitz en verschillende subkampen.

Auschwitz II-Birkenau, een deel van sector BII. Op de voorgrond zijn de keuken en zeven barakken uit sector BIIe te zien, waar vrouwen met kinderen werden vastgehouden. Beeld uit de Sovjet-film 'Kroniek van de bevrijding van Auschwitz', gemaakt kort na de bevrijding van het kamp. Bron: APMA-B.

BEVRIJDING

Op 27 januari ging de 100e Geweerdivisie van de Sovjets nog vóór het middaguur kamp Monowitz binnen, dat de Duitsers inmiddels hadden verlaten. Rond het middaguur namen ze zonder al te veel verzet het centrum van de plaats Oświęcim in en rond 15:30 uur Birkenau. Diezelfde dag namen troepen van de 322e Geweerdivisie tussen 15:00 en 17:00 uur het hoofdkamp en het omringende gebied in. Nog diezelfde dag zetten ze hun opmars in zuidwestelijke richting voort. Er werden 231 soldaten van het Rode Leger gedood in gevechten rond het Auschwitz-kampcomplex, de plaats Oświęcim en omliggende dorpen.

Irena Szczypiorska, een Poolse, die op 13 mei 1943 in Auschwitz aankwam. Ze werd geregistreerd als gevangene nummer 44779. In januari 1945 werkte ze in de wasserij van het ziekenhuis voor vrouwelijke gevangenen. Ze werd bevrijd in Birkenau.

Op 27 januari, om drie uur 's middags, rende een Russische vrouw die ik kende op me af en riep: "Irochka, onze jongens zijn in het kamp." Ik tuurde in de richting waarin ze wees. Ik zag alleen bergen met sneeuw. En opeens… bewoog er eentje. Het waren verkenners, in witte overalls. Na onze enthousiaste begroetingen zeiden ze: "Ga terug naar de blokken, vrouwen, en neem de kinderen mee. Ga niet buiten ronddwalen, er liggen mijnen rond het kamp. We komen morgen terug."

Ze kwamen inderdaad de volgende dag terug, in de avond. Een van hen was gewond. Hij vroeg alleen om wat verband, wikkelde het om zijn arm en haastte zich vervolgens verder. Ze kwamen in groepjes. We omhelsden hen met kreten van vreugde, de aan bed gekluisterde vrouwen staken hun armen omhoog en wierpen hen handkussen toe. Maar ze bleven niet lang. Ze waren te druk met het achtervolgen van de Duitsers. Pas op 28 januari arriveerden grotere eenheden van het Rode Leger. Ze deelden rechtstreeks vanuit de vrachtwagens brood aan ons uit.

Bron: APMA-B, collectie met memoires, deel 19, p. 169.

Jakub Wolman, nr 33611, lekarz, w obozie do wyzwolenia, w styczniu lekarz w szpitalu obozowym w Auschwitz I:

“To było popołudniu. Weszło trzech Rosjan. Powiem inaczej. Weszło trzech zwiadowców sowieckich w białych, ochronnych płaszczach, bo przecież była zima. [S. 155] Wyglądali jak jakieś duchy. Trudno opisać ich twarze. Na ich widok z bloków zaczęli wychodzić chorzy, zawinięci w koce. Jak tylko zwiadowcy uwolnili się objęć witających ich więźniów, wytłumaczyłem im, w jakim miejscu się znaleźli, ze postacie owinięte kocami są chorymi więźniami. Jak stwierdziłem pierwsze oddziały sowieckie podążyły szybko w dalsza drogę”.

Źródło: APMA-B, Zespół Oświadczenia, t. 134, t. 154-155.

Jakub Wolman, gevangene nummer 33611, arts. Bevrijd in Auschwitz. In januari 1945 bleef hij in het kamp achter om voor zieke gevangenen te zorgen.  

Het was middag. Er kwamen drie Russen. Of eigenlijk drie Sovjet-verkenners in witte overjassen, want het was winter. [p. 155] Ze zagen eruit als spoken. Het is moeilijk hun gezichten te beschrijven. Toen ze verschenen, kwamen de zieken tevoorschijn uit de blokken, in dekens gewikkeld. ‚Ķ Zodra ze zich uit de omhelzingen van de hen begroetende gevangenen hadden bevrijd, legde ik hen uit waar ze waren en dat de in dekens gewikkelde mensen zieke gevangenen waren. Zoals ik al eerder vertelde, trokken de eerste Sovjet-troepen al snel weer verder in de richting van hun doel.    

Bron: APMA-B, collectie met verklaringen, deel 134, p. 154-155.

Fragment uit de 'Kroniek van de bevrijding van kamp Auschwitz', een Sovjet-film die kort na de bevrijding van het kamp werd gemaakt. Bron: APMA-B.

Dankzij de soldaten van de 100e en 322e Divisie werden zo'n 7000 gevangenen bevrijd uit de drie grote Auschwitz-kampen. De soldaten van andere Sovjet-eenheden bevrijdden zo'n 500 gevangenen uit verschillende subkampen. De meeste bevrijde gevangenen waren in 1944 in Auschwitz aangekomen. Het waren voornamelijk Joden, maar met een relatief grote groep Polen, die waren overgebracht na het uitbreken van de Opstand van Warschau, en Wit-Russen en Russen. Ten tijde van de bevrijding waren er bijna 500 kinderen in het kamp, waarvan er meer dan 60 in het kamp waren geboren. De meerderheid was Joods, maar er waren ook een aantal Poolse en Wit-Russische kinderen. Slechts een klein aantal van hen werd in het kamp verzorgd door ouders of familieleden.

MEDISCHE HULP

Een aantal dagen na de bevrijding werden er twee veldhospitalen opgezet in het kamp en begon het personeel doorlopende medische hulp aan de overlevenden op te zetten. Daarvóór hadden soldaten uit de tweede linie die door het kamp trokken, alvast eerste hulp en geïmproviseerde ondersteuning geboden.

Begin februari werd er een ziekenhuis van het Poolse Rode Kruis opgezet door meer dan 30 artsen en verpleegsters uit Krakau die zich vrijwillig hadden gemeld. De stadsautoriteiten van Krakau hadden besloten het ziekenhuis op locatie in Auschwitz op te zetten, omdat de ziekenhuizen in Krakau niet over de capaciteit beschikten om duizenden pati√´nten te verzorgen. De staf van het Poolse Rode Kruis stemde de hulp al snel af met de Sovjet-veldhospitalen, zodat de overlevenden van het kamp gezamenlijk werden behandeld. 

In deze ziekenhuizen werkten ook zo'n 90 voormalige gevangenen: de voormalige medische staf van het kamp (de hogere en middenniveaus) en administratief personeel. Hun hulp was vooral in het begin erg belangrijk toen de ziekenhuizen net waren opgezet, omdat er op dat moment een tekort was aan doktoren en verplegend personeel.

De zieken werden in eerste instantie behandeld in alle delen van het Auschwitz-kampcomplex: het voormalige hoofdkamp, Birkenau en Monowitz. De omstandigheden in de ziekenhuizen waren erbarmelijk, vooral in de twee laatstgenoemde voormalige kampen. Daarom werden de patiënten vanaf de eerste helft van februari geleidelijk verplaatst naar het voormalige Auschwitz I, waar de leefomstandigheden naar verhouding beter waren.

De weeskinderen werden eerst overgebracht naar verzorgingscentra in Krakau en later naar verder gelegen plaatsen. Een stuk of twaalf kinderen werd liefdevol opgevangen door de lokale bewoners. Sommige van deze kinderen werden later geadopteerd.

In juni 1945 namen de Sovjet-autoriteiten het voormalige kamp Auschwitz I volledig over en veranderden ze het in een doorgangskamp voor Duitse krijgsgevangenen. Het ziekenhuis voor voormalig gevangenen werd daarom overgeplaatst naar drie blokken buiten de omheining van het voormalige kamp (het oude administratiegebouw, het commandantskantoor en het SS-ziekenhuis) en vier barakken in de buurt. Op 1 oktober 1945 werd het ziekenhuis gesloten. De meeste patiënten keerden terug naar huis en een kleine groep die nog steeds moest worden behandeld, werd overgebracht naar Krakau.

Voormalig kamp Auschwitz I. Gebouw met de kantoren van het Poolse Rode Kruis. Dit was eerder het administratiegebouw van het SS-garnizoen geweest, zoals te zien is aan het bord 'SS-Standort-Verwaltung' boven de deur. De foto is genomen toen het ziekenhuis actief in gebruik was. Bron: APMA-B.
De eerste pagina van een lijst met vrouwelijke voormalige gevangenen die door het Poolse Rode Kruis werden verzorgd in blok 22, sector BIIe van voormalig kamp Birkenau, februari 1945. Op de lijst staan de voor- en achternamen van de vrouwen, gevangenennummers, laatste woonplaats en land van herkomst. De vrouwen op deze pagina waren naar Auschwitz gedeporteerd vanuit Hongarije, Nederland, Italië, Polen, Frankrijk en Tsjecho-Slowakije. Bron: APMA-B.
De eerste pagina van een lijst met mannelijke en vrouwelijke voormalige gevangenen die door het Poolse Rode Kruis werden verzorgd in blok 14 van het voormalige kamp Auschwitz I. De lijst bevat voor- en achternamen, geboortedatums, gevangenennummers, burgerschap (land van herkomst) en adressen. Er staan onder andere Russische, Nederlandse, Franse, Poolse, Hongaarse en Joegoslavische burgers op de lijst. Bron: APMA-B.
Voormalig kamp Auschwitz I. Personeel van het Poolse Rode Kruis samen met Sovjet-doktoren en -verpleegsters. Foto gemaakt vóór het voormalige SS-ziekenhuis. Vijfde van links staat Dr. Józef Bellert, hoofdarts van het Poolse Rode Kruis-ziekenhuis, en naast hem majoor Zhylynskaya, commandant van een van de veldhospitalen. Bron: APMA-B.

De doktoren en verpleegsters van een van de Sovjet-veldhospitalen waarin de overlevenden van Auschwitz werden verzorgd. Foto genomen in februari 1945.

Bron: APMA-B.

In het begin werden zieke voormalige gevangenen behandeld in alle drie de voormalige Auschwitz-kampen: Auschwitz I, Birkenau en Monowitz. Vanwege de barre omstandigheden werden de patiënten echter geleidelijk overgebracht naar het voormalige hoofdkamp.

Foto waarop de zieken uit de barakken in Birkenau worden geleid. De foto is een beeld uit de Sovjet-documentaire 'Kroniek van de bevrijding van kamp Auschwitz'. Bron: APMA-B.
Foto waarop de zieken uit de barakken in Birkenau worden gehaald en vervoerd. De foto is gemaakt door B. Borisov in maart 1945. Bron: APMA-B.
Foto waarop de zieken uit de barakken in Birkenau worden geleid. De foto is een beeld uit de Sovjet-documentaire 'Kroniek van de bevrijding van kamp Auschwitz'. Bron: APMA-B.
Voormalig kamp Auschwitz I. Ziekenzaal op de eerste etage van blok 21, met de verpleegsters van het Poolse Rode Kruis die de patiënten verzorgen in het midden. Foto genomen door Stanisław Mucha in februari of maart 1945. Bron: APMA-B.

De weeskinderen werden eerst overgebracht naar zorginstellingen in Krakau en later naar verder gelegen plaatsen. Een stuk of twaalf kinderen werden liefdevol opgevangen door de lokale bewoners. Sommige van deze kinderen werden later geadopteerd.

Op de foto is Lyudmila Bezludova te zien, geboren in 1940, overgebracht van concentratiekamp Majdanek naar Auschwitz op 15 april 1944, en geregistreerd als gevangene nummer 77263. Na de bevrijding werd ze in een groep Wit-Russische kinderen overgebracht naar een zorginstelling in Krakau, vervolgens naar een weeshuis in Harbutowice in de buurt van Krakau en ten slotte naar het centrum Bucze Harcerskie in de buurt van Skoczów. Daar kreeg ze de naam Hanna Kosińska. In 1963 werd ze voor het eerst weer herenigd met haar moeder en de andere kinderen sinds ze in Majdanek van elkaar werden gescheiden. Op dat moment woonde haar familie in Orsha (Wit-Rusland). Lyudmila bleef echter in Polen. De foto is genomen in 1948. Bron: APMA-B.
Een in Rusland geboren meisje, naam onbekend, van ongeveer vijf jaar oud. Ze werd kort na de bevrijding van Birkenau gevonden door Sovjet-soldaten. Volgens een van de soldaten, Vladimir A. Gladyshev (staand links), had ze vlak voor de bevrijding haar moeder verloren. Het meisje werd onder de hoede van een Poolse dame geplaatst (naam onbekend, zittend links). Foto genomen in 1945 in O≈õwiƒôcim, voordat Vladimir A. Gladyshev afscheid nam van het meisje en haar voogd. Bron: APMA-B.

Lusia Kałuszyner (Perla Spinka), een Joods meisje uit Polen, gedeporteerd met haar tante Sala Spinka en diens dochter Janeczka uit een werkkamp in Bliżyn op 31 juli 1944. De Joden in dit specifieke transport werden niet uitgeselecteerd in kamp Birkenau en daarom werden allen, waaronder enkele kinderen, naar het kamp gestuurd. Lusia kreeg gevangenennummer A-15515. Na een van de selecties in het kamp werden Lusia's tante en nicht naar de gaskamer gestuurd, maar Lusia werd verzorgd door andere vrouwelijke gevangenen en overleefde op die manier tot de bevrijding. Op 29 januari 1945 werd Lusia onder de hoede van de zestienjarige Kazimiera Nowak geplaatst, een inwoonster van Oświęcim. Anderhalve maand later werd ze gevonden door haar moeder, die het getto in Piotrków Trybunalski (waar ze van elkaar waren gescheiden) en daarna een werkkamp in Skarżysko had overleefd. Na hun hereniging in Oświęcim verhuisden moeder en dochter naar Łódź. In januari 1946 verlieten ze Polen en vestigden ze zich in Palestina.

Lusia met haar moeder. Bron: APMA-B.
Lusia met haar voogd Kazimiera Nowak. Bron: APMA-B.

De medische staf verzorgde meer dan 4500 patiënten uit meer dan 20 landen, hoofdzakelijk Joden. Ongeveer 80 procent van hen leed aan ernstige voedingsdystrofie, vaak in de vorm van ondervoedingsziekte. De symptomen waren aanhoudende diarree, het verdwijnen van lichaamsvet, het wegteren van spieren en ernstig gewichtsverlies (het gemiddelde gewicht onder volwassenen varieerde van 25 tot 35 kilo), droge, verkleurde huid en oedeem. De patiënten leden ook aan longziekten, vooral tuberculose. Een groot aantal patiënten moest operaties ondergaan vanwege de verwondingen die ze hadden opgelopen, evenals bevriezing in combinatie met gangreen en necrose (afsterving). Daarnaast waren er ook groepen patiënten die aan tyfus leden, of aan psychologische of zenuwaandoeningen. In veel gevallen leden patiënten aan meerdere ziekten of aandoeningen tegelijk, wat de behandeling erg moeilijk maakte. Minimaal 500 patiënten stierven in de ziekenhuizen, waarvan de meeste in februari en maart.

Istvan (Stefan) Bleyer. Bron: APMA-B. 

Istvan (Stefan) Bleyer, een veertienjarige Joodse jongen uit Hongarije, die in juli 1944 naar Auschwitz werd gedeporteerd (gevangenennummer B-14615). Toen de doktoren hem onderzochten, ontdekten ze dat hij aan tweedegraads voedingsdystrofie leed. De foto is genomen tijdens een onderzoek van voormalig gevangenen door artsen van de 'Buitengewone Sovjet-staatscommissie voor onderzoek naar de misdaden van de Duits-fascistische agressors', februari-maart 1945.

Bron: APMA-B.

Josef Hajman, een vierjarige Joodse jongen uit Slowakije, die begin november 1944 naar concentratiekamp Auschwitz was gedeporteerd. Het jongetje bleek te lijden aan derdegraads voedingsdystrofie (extreme vermagering), vitaminegebrek en interne bloedingen. Hij stierf op 30 maart 1945.  De foto is genomen tijdens een onderzoek van voormalig gevangenen door artsen van de 'Buitengewone Sovjet-staatscommissie voor onderzoek naar de misdaden van de Duits-fascistische agressors', februari-maart 1945. Bron: APMA-B.
Rechteronderarm van voormalig gevangene Margarette Kantor, een zesendertigjarige Joodse vrouw uit België, die in april 1944 naar Auschwitz werd gedeporteerd. Na de bevrijding werd bij haar derdegraads voedingsdystrofie (extreme vermagering) geconstateerd. Omdat ze was geslagen, had zich op haar rechterarm een flegmone (acute ontsteking) gevormd. Mevrouw Kantor was 168 cm lang maar woog slechts 35 kilo, terwijl ze vóór haar deportatie naar het kamp 60 kilo woog. Foto genomen door Stanisław Łuczko in het Poolse Rode Kruis-ziekenhuis tijdens een inspectie van leden van de afdeling Krakau van de 'Hoofdcommissie voor onderzoek naar Duitse misdaden in Polen', mei 1945. Bron: APMA-B.

HULP DOOR DE INWONERS VAN O≈öWIƒòCIM, BRZESZCZE EN NABURIGE DORPEN AAN DE BEVRIJDE GEVANGENEN

De Auschwitz-overlevenden kregen aanzienlijke hulp van vrijwilligers, vooral leden van het Poolse Rode Kruis in Oświęcim, Brzeszcze en andere plaatsen in de buurt. Kort na de bevrijding meldden veel mensen zich aan voor werk in de veldhospitalen en het ziekenhuis van het Poolse Rode Kruis. Ze maakten de kamers schoon, haalden water, vervoerden en wasten de patiënten, bereidden de maaltijden en droegen de lichamen van overledenen weg. Ze transporteerden ook patiënten in paardenwagens van de andere voormalige kampen Birkenau en Monowitz naar het voormalige hoofdkamp. Sommige lokale bewoners verpleegden thuis voormalig gevangenen, waaronder kinderen.

Er werden ziekenhuizen van het Poolse Rode Kruis ingericht in de plaats O≈õwiƒôcim en in de buurt van Brzeszcze. De documentatie van het ziekenhuis in Brzeszcze is grotendeels bewaard gebleven.

Verzoek aan de lokale sociale welvaartscommissie in Brzeszcze om 1000 złoty te betalen voor brood en melk voor 26 moeders met kinderen. Dit waren voormalige Auschwitz-gevangenen die werden behandeld in het ziekenhuis van het Poolse Rode Kruis. Bron: APMA-B.
De eerste pagina van een lijst met mensen die geld doneerden aan het Rode Kuis-ziekenhuis in Brzeszcze. Naast de namen van de donateurs bevat de lijst ook de bedragen die de mensen doneerden. Bron: APMA-B.
Een lijst met mensen die verschillende levensmiddelen doneerden aan het Rode Kruis-ziekenhuis in Brzeszcze, waaronder eieren, meel, griesmeel en suiker, maar ook konijnen en een kip. Bron: APMA-B.
Een bericht van Dr. Józef Sierankiewicz aan het gemeentehuis in Brzeszcze, over de dood van twee kinderen in het Rode Kruis-ziekenhuis, Marek Wincenty Zdrojewski en Leokadia Żuk, die in kamp Auschwitz waren geboren. Bron: APMA-B.
Verzoek aan de directie van de kolenmijn van Brzeszcze om twee kleine doodskisten te maken voor kinderen die waren gestorven in het Rode Kruis-ziekenhuis. In het document worden de namen van de kinderen niet genoemd, alleen hun lengte: 70 en 55 cm. Er wordt aangenomen dat het om doodskisten voor Marek Zdrojewski en Leokadia Żuk gaat. Bron: APMA-B.
Certificaat voor voormalig gevangene Leokadia Niewiadomska en haar zoon Maciej, uitgegeven door de bestuursraad van het Rode Kruis te Brzeszcze op 7 maart 1945. Op die dag vertrokken ze naar Wawer, in de buurt van Warschau. Het document bevat informatie over de behandeling die ze in het lokale ziekenhuis hadden gekregen sinds 6 februari 1945 en een verzoek aan de militaire autoriteiten en overheden om hun terugkeer mogelijk te maken en de noodzakelijke hulp en zorg te verlenen. Bron: APMA-B.

Antoni Leśniak, docent, lid van het Poolse Rode Kruis in Oświęcim, organisator van hulp aan bevrijde gevangenen.

Zij [de overlevenden] leefden onder afschuwelijke, onhygiënische omstandigheden, ze lagen in de modder en uitwerpselen en sommigen waren mentaal uitgeput. Toen ze ons zagen [de vrijwilligers van het Rode Kruis], begonnen ze te roepen, te huilen, smeekten ze om hen onmiddellijk weg te halen en over te brengen naar Krakau of Warschau. … De werkteams die de gemeentelijke Rode Kruis-afdeling naar het kamp stuurde, moesten de zwaarste en moeilijkste taken uitvoeren. Ze moesten de zieken uit de modder en uitwerpselen tillen en hen naar de schonere woonblokken dragen. De gezondere voormalige gevangenen werden per kar naar een Rode Kruis-ziekenhuis gebracht dat was opgezet in het Świderski-gebouw, dat nu de rechtbank is. Daar werden ze behandeld en vervolgens overgebracht voor verdere behandeling door het Poolse Rode Kruis in Krakau. Ik herinner me dat zo'n dertig gevangenen van het kamp werden overgebracht naar het klooster van de Zusters Franciscanessen in de stad, waar ze ook medisch werden behandeld. Ze werden ondergebracht op de eerste etage.

Bron: APMA-B, collectie met verklaringen, deel 70, p. 116.

Jan Drzewiecki, medeoprichter en directeur van het Rode Kruis-ziekenhuis in Brzeszcze. 

Het grootste probleem was deze mensen [de patiënten] te eten te geven, maar daarvoor zette onze collega Friebe Ernest zich met hart en ziel in. Hij verrichte wonderen om op tijd voedselvoorraden aan te leveren. Hij benaderde de plaatselijke overheid voor hulp. Hij ging van dorp tot dorp naar de boerderijen en verzamelde alles wat er te eten was. Elke dag reed hij persoonlijk rond met een kar om 25 liter melk op te halen in Miedźna, voorbij de rivier de Wisła. Bovendien brachten de plaatselijke vrouwen wat ze maar konden. Daarom zat er veel zelfgemaakte jam bij de aangeleverde etenswaren.

Bron: APMA-B, collectie met memoires, deel 150, p. 53.

DE TERUGKEER VAN DE BEVRIJDE GEVANGENEN NAAR HUIS

Al snel na de bevrijding vertrokken sommige van de overlevenden die in relatief goede conditie verkeerden, op eigen gelegenheid uit het kamp. Ze trokken meestal in kleinere of grotere groepen naar Krakau. Burgers van de Sovjet-Unie, zowel mannen als vrouwen, werden doorgestuurd naar een verzamelpunt van het Rode Leger. Ze werden getest en degenen die als fit genoeg werden beschouwd, werden naar reserveregimenten gestuurd. De rest werd eerst ondervraagd en geëvalueerd door de NKVD (het volkscommissariaat voor interne zaken) en geleidelijk teruggestuurd naar de Sovjet-Unie. Burgers van andere landen doorliepen alleen de NKVD-evaluatie en ontvingen vervolgens een certificaat van hun gevangenschap in het kamp, waarmee ze konden reizen. Dergelijke certificaten werden ook uitgegeven door de lokale Poolse overheid en de posten van de burgermilitie. De mensen die langer in het kamp bleven, waaronder mensen die moesten herstellen, ontvingen dergelijke certificaten van de directeuren van het Rode Kruis-ziekenhuis of de veldhospitalen.  

In Krakau ontvingen de voormalige gevangenen hulp van medewerkers van Poolse overheids- en liefdadigheidsinstanties. Die financierden en beheerden onder andere gaarkeukens, EHBO-posten en slaapzalen. Er werd ook hulp geboden door militaire Sovjet-autoriteiten. Sommige van de Auschwitz-overlevenden die afkomstig waren uit Polen, Slowakije of Hongarije, waar al niet meer werd gevochten met de Duitsers, probeerden op eigen gelegenheid terug te keren naar huis. Mensen die waren gedeporteerd uit West- of Zuid-Europa konden echter nog niet terugkeren vanwege de nog lopende militaire acties en werden daarom eerst naar doorgangskampen gestuurd die de Sovjet-autoriteiten hadden ingericht in Katowice-Bogucice.

Kinderen die in het kamp waren achtergebleven zonder ouders of familieleden, werden naar verschillende verzorgingsinstellingen gestuurd. Deze waren onder andere gevestigd in Krakau, Harbutowice in de buurt van Krakau, Katowice, Rabka en Okęcie in de buurt van Warschau. Slechts enkele van de kinderen werden later herenigd met hun ouders of in huis genomen door Poolse gezinnen en later geadopteerd. De rest woonde in de kindertehuizen totdat ze volwassen waren. Een stuk of twaalf kinderen werden in huis genomen door de inwoners van Oświęcim en omgeving. Sommige van deze kinderen werden later herenigd met hun familie, terwijl anderen bij hun adoptieouders bleven.

Een groep vrouwelijke gevangenen die voormalig kamp Birkenau verlaten. Op de achtergrond is de hoofdingang van Birkenau te zien. Foto genomen door Henryk Makarewicz, kort na de bevrijding van het kamp. Bron: APMA-B.

Genowefa Marczewska met haar zesjarige zoon Andrzej. Ze waren beiden vanuit doorgangskamp Pruszków op 12 augustus 1944 naar Auschwitz gedeporteerd, tijdens de Opstand van Warschau. In Auschwitz werd de moeder geregistreerd als gevangene nummer 83397 en haar zoon als gevangene nummer 192850. Ze verlieten het kamp kort na de bevrijding en wisten Krakau te bereiken.

Genowefa Marczewska met haar zoon. Foto genomen vóór hun deportatie naar Auschwitz. Bron: APMA-B.
Pas die is uitgegeven aan Genowefa Marczewska door het hoofdkwartier van de burgermilitie in Chrzanów op 1 februari 1945. In de rechterbenedenhoek is de opmerking toegevoegd: "Keert met haar zoon Andrzej terug uit kamp Auschwitz". Bron: APMA-B.

Otto Klein werd samen met zijn tweelingbroer Ferenc, zus en moeder naar Auschwitz gebracht in een Jodentransport uit Hongarije op 27 juni 1944. Hij en zijn tweelingbroer (respectievelijk gevangenen nummer A-5332 en A-5331) waren op dat moment twaalf jaar. Ze werden geselecteerd voor de experimenten van Dr. Mengele. Ze overleefden het beiden en werden bevrijd.

Het front was nog erg dichtbij, en in onze groep met tweelingen heerste de angst dat de Duitsers zouden terugkomen, wat voor ons de dood zou betekenen. We besloten daarom het kamp te verlaten. Dat deden we de volgende dag, op 28 januari. Niemand riep ons bij elkaar: we voegden ons gewoon bij de groep, de een na de ander. We vertrokken in de richting van Krakau. De eerste nacht brachten we door in een schuur, een aantal kilometer van Auschwitz. We hoorden geluiden van het front en van kogels die door de lucht vlogen. De volgende dag liepen we te voet verder toen er drie Sovjet-trucks stopten die op weg waren naar het front. Ze namen ons mee en we reden de rest van de reis naar Krakau mee in de vrachtwagens. Vlak voordat we Krakau bereikten, slipte de derde vrachtwagen en verongelukte, waarbij een van de tweelingen omkwam. Toen we uiteindelijk Krakau bereikten, kregen we daar problemen omdat we geen documenten hadden. Overal langs de rivier [de Wisła] in Krakau lagen Sovjet-checkpoints en we konden zonder documenten niet naar de andere kant komen. Toen gaven de Poolse autoriteiten een document uit met de namen van ons alle drieëndertig. … Onze reis door Polen duurde vijf weken. We reisden in oostelijke richting via Tarnów en Przemyśl, grotendeels per trein. In Przemyśl werden we tegengehouden door een Sovjet-soldaat die ons vroeg waar we vandaan kwamen en waar we naartoe gingen. Hij ging over het treinvervoer, en wist ons onder te brengen in een extra wagon die aan een trein werd gekoppeld die via Tsjecho-Slowakije naar Hongarije reed. Hij instrueerde ons ook waar we moesten uitstappen. De omstandigheden waren op dat moment erg zwaar: het was erg koud en er was een tekort aan voedsel. … We waren in eerste instantie met 36 in onze groep, maar tegen de tijd dat we Krakau verlieten, waren we nog maar met 33. Eén persoon was omgekomen in het ongeluk buiten Krakau, en twee bleven er achter in Krakau: één lag in het ziekenhuis met ernstige verwondingen, en zijn tweelingbroer bleef bij hem. Na aankomst in Hongarije … vonden we onze familie. 

Bron: APMA-B, collectie met verklaringen, deel 125, p. 129‒130.

Ferenc en Otto Klein, een tweeling geboren op 7 juni 1932, samen met hun zus en moeder. Alle vier werden op 27 juni 1944 naar Auschwitz gedeporteerd in een Jodentransport. Tijdens de selectie werden de jongens naar het kamp gestuurd om de experimenten te ondergaan van SS-arts Dr. Josef Mengele. Ze overleefden het kamp en werden bevrijd op 27 januari 1945. De volgende dag vertrokken ze in een groep van zo'n dertig mensen (waarvan de meeste tweelingen) naar Krakau, dat ze op 29 januari bereikten. Foto genomen vóór de deportatie. Bron: APMA-B.
Certificaat uitgegeven door de burgemeester van Krakau aan de groep voormalige gevangenen die uit het bevrijde kamp terugkeerden naar Hongarije. Onder aan de lijst worden Ferenc en Otto Klein genoemd. Het certificaat geeft hen toestemming reisdocumenten aan te vragen bij de oorlogscommandant van Krakau en vraagt veiligheidsdiensten hen hulp te verlenen. De kopieën van de foto's zijn aangeleverd door Otto Klein. Bron: APMA-B.

Anna werd op 22 februari 1944 gedeporteerd naar Auschwitz (nummer 75560). Daar schonk ze op 15 oktober 1944 het leven aan een zoon. Kort na de bevrijding bereikten ze Krakau, waar ze naar een verzamelpunt werden gestuurd. Vanwege haar kind werd Anna niet ingedeeld bij een reserveregiment, zoals dat wel het geval was bij andere vrouwelijke gevangenen die Sovjet-burger waren. Na een verblijf van een maand in Krakau keerden ze terug naar Jalta.

Anna Polshchikova met haar zoon Viktor. De foto is kort na de bevrijding genomen. Bron: APMA-B.
Certificaat uitgegeven aan Anna Polshchikova op 27 februari 1945 door het Departement voor de repatriëring van Sovjet-burgers van het Eerste Oekraïense Front in Krakau. Op het certificaat staat dat Anne is bevrijd uit concentratiekamp Auschwitz door het Rode Leger en dat ze samen met haar zoon terugkeert naar haar oorspronkelijke woonplaats, Jalta. Een fotokopie van dit document is aangeleverd door A. Polshchikova. Bron: APMA-B.

De tweeling Eva en Miriam Mozes, Joodse meisjes uit Roemenië. Op tienjarige leeftijd werden ze met hun ouders en twee oudere zussen in mei 1944 gedeporteerd naar Auschwitz. Bij aankomst werden ze geselecteerd voor de experimenten van Dr. Josef Mengele en naar het kamp gebracht, terwijl hun moeder en zussen werden vermoord in de gaskamers. Ook hun vader werd in het kamp gedood. Eva kreeg gevangenennummer A-7063 en Miriam A-7064. Beide meisjes overleefden het kamp en werden bevrijd. In maart 1945 werden ze met een groep Joodse kinderen naar een Caritas-centrum in Katowice gebracht. Een paar maanden later werden ze onder de hoede van voormalige vrouwelijke gevangenen naar Tsjernivtsi (Oekraïne) gebracht en vervolgens werden ze naar Sloetsk (Wit-Rusland) gestuurd. In september 1945 bereikten ze het dorp waar ze vandaan kwamen, waar ze werden opgevangen door hun tante Irena, hun enige overlevende familielid.

Op deze foto, die in 1943 in Porţ is genomen, zit de tweeling naast hun moeder Zsenia, met Eva aan de linkerkant en Miriam aan de rechterkant. Vóór hen ligt hun neef Hersch Schmilu. Achter hen staan van links naar rechts hun zus Aliz, hun vader Alexander, hun zus Edit en een vriendinnetje, Luci. Bron: APMA-B.
Lijst met Joodse kinderen zonder ouders in het Rode Kruis-ziekenhuis. Ze werden in maart 1945 overgebracht naar het Caritas-centrum in Katowice. De gezusters Mozes zijn nummer 12 en 13 op de lijst. Bron: APMA-B.

HET BEGRAVEN VAN DE LICHAMEN

Na de bevrijding werden er op de locaties van de voormalige kampen Auschwitz I en Birkenau meer dan 600 lichamen van gevangenen gevonden die waren vermoord door de SS of waren gestorven aan het begin van de evacuatie of kort daarna. Op 28 februari 1945 werd een begrafenis van de slachtoffers georganiseerd door de lokale overheid en militaire autoriteiten. Deze werd bijgewoond door enkele duizenden inwoners van Oświęcim en omringende dorpen, voormalige gevangenen, vertegenwoordigers van de militaire Poolse en Sovjet-autoriteiten en lokale geestelijken. De lichamen van de gevangenen die later stierven in het Rode Kruis-ziekenhuis en de veldhospitalen werden begraven in kleinere graven die in de buurt van de bestaande grote graven werden ingericht.

Voormalig kamp Birkenau. Een begrafenisstoet passeert sector BIa. Alle doodskisten werden gedragen door rouwdragers, behalve de kist van een twee- of driejarig kind (te zien op de voorgrond), die met een rouwkoets werd vervoerd. Bron: APMA-B.
Een groep voormalige gevangenen die deelneemt aan de begrafenis. Bron: APMA-B.
Kisten staan klaar op een rij voor begrafenis in een groot graf in de buurt van voormalig kamp Auschwitz I. Een beeld uit de Sovjet-film 'Kroniek van de bevrijding van Auschwitz', die kort na de bevrijding van het kamp werd gemaakt. Bron: APMA-B.

COMMISSIES DIE DUITSE MISDADEN IN VOORMALIG KAMP AUSCHWITZ ONDERZOEKEN: DE SOVJET-COMMISSIE

In februari en maart werd er onderzoek gedaan naar de misdaden in kamp Auschwitz door de aanklagers van het Eerste Oekraïense Front onder toezicht van de 'Buitengewone Sovjet-staatscommissie voor onderzoek naar de misdaden van de Duits-fascistische agressors'. Deze vertegenwoordigers voerden visuele inspecties uit van het voormalige kamp, de gebouwen, de locaties van de crematoria en de verbrandingsputten in de buurt van crematorium V, waar de asresten en niet-verbrande menselijke botresten nog steeds onder een laag aarde begraven lagen. Ze verzamelden ook bewijsmateriaal voor de gepleegde misdaden: de geplunderde bezittingen van vermoorde Joden die de SS niet naar Duitsland had weten te transporteren (waaronder bijna 1,2 miljoen kledingstukken, 43.500 paar schoenen, bijna 70.000 stuks kookgerei, 50.000 borstels (verschillende soorten), 5500 gebedsmantels, meer dan 3000 koffers en bijna 13.000 brillen) en ongeveer zeven ton mensenhaar dat werd gevonden in de pakhuizen van de looierij van het voormalige kamp. Ze interviewden bovendien meer dan 200 voormalig gevangenen over onderwerpen met betrekking tot het kamp, zoals vernietigingsmethoden, medische experimenten, hoe gevangenen werden behandeld, leefomstandigheden en het werk dat ze moesten doen. De onderzoekers stelden ook Auschwitz-documentatie veilig, die later helaas naar Moskou werd gebracht nadat het Sovjet-onderzoek was afgerond. Daarnaast onderzocht een forensische commissie 2800 overlevenden op medisch vlak. De meesten van hen werden gediagnosticeerd met medische aandoeningen die ze in het kamp hadden opgelopen: voornamelijk extreme uitputting van het organisme (voedingsdystrofie), maar ook tuberculose, flegmones (acute ontstekingen) en bevriezing. Ze voerden ook meer dan 500 autopsieën uit, waaruit ze concludeerden dat de dood in de meeste gevallen was veroorzaakt door het wegteren van het organisme.

Voormalig kamp Auschwitz I, leden van de Buitengewone Sovjet-staatscommissie voor onderzoek naar de misdaden van de Duits-fascistische agressors. Foto genomen door Stanisław Mucha in het kantoor van de eerste commandant van Auschwitz, Rudolf Höss, in februari of maart 1945. Bron: APMA-B.
Leden van de Sovjet-commissie tijdens een visuele inspectie van een van de barakken van voormalig kamp Birkenau. Foto genomen in februari of maart 1945. Bron: APMA-B.
Kleding geplunderd van Joden die waren gedeporteerd naar Auschwitz en vermoord in de gaskamers. Foto genomen in een van de pakhuizen van het voormalige kamp, kort na de bevrijding. Bron: APMA-B.
Leden van de Sovjet-commissie die het haar inspecteren dat is afgeknipt van vrouwen die zijn vermoord in de gaskamers. De foto is genomen in de looierij van het kamp, waar het haar werd geprepareerd voor transport. Een beeld uit de Sovjet-film 'Een kroniek van de bevrijding van Auschwitz'. Bron: APMA-B.
Schoenen geplunderd van mensen die waren gedeporteerd naar Auschwitz. Bron: APMA-B.

Verschillende voorwerpen die waren geplunderd van vermoorde Joden en later werden veiliggesteld door de Sovjet-commissie in de zogenoemde kampuitbreiding (Lagererweiterung) enkele honderden meters ten noorden van Auschwitz I. De foto's zijn kort na de bevrijding van het kamp gemaakt door Stanisław Mucha en Sovjet-cameramannen.

Bron: APMA-B.

Brillen geplunderd van mensen die waren gedeporteerd naar Auschwitz. Bron: APMA-B..

Het werk van de commissies die onderzoek deden naar de misdaden van de Duitsers in Auschwitz omvatte ook het medisch onderzoeken van veel voormalige gevangenen. De artsen ontdekten dat de overgrote meerderheid van deze voormalige gevangenen ziekten had opgelopen tijdens hun opsluiting in het kamp.

Jana Ecksteinova, een negenjarig Joods meisje uit Tsjecho-Slowakije. Ze werd in oktober 1944 vanuit het getto in Theresienstadt gedeporteerd naar Auschwitz. Ze bleek tweedegraads voedingsdystrofie te hebben. Beeld uit de Sovjet-film 'Kroniek van de bevrijding van Auschwitz'. Bron: APMA-B.
Sophie Tencer (Tenzer), een 22-jarige Joodse vrouw uit Duitsland die waarschijnlijk in oktober 1944 naar Auschwitz werd gedeporteerd en was geregistreerd als gevangene 88972. Tijdens het medisch onderzoek werd bij haar tweedegraads voedingsdystrofie geconstateerd. Foto genomen tijdens het medisch onderzoek van voormalig gevangenen door de artsen van de Buitengewone Sovjet-staatscommissie voor onderzoek naar de misdaden van de Duits-fascistische agressors, februari-maart 1945. Bron: APMA-B.

Alexei Melnikov, een 31-jarige Rus die in februari 1944 naar Auschwitz werd gestuurd (nummer 173989). In het kamp was hij geslagen en verwond met een bajonet, waardoor hij littekens op zijn rug had. Foto genomen tijdens het medisch onderzoek van voormalig gevangenen door de artsen van de Buitengewone Sovjet-staatscommissie voor onderzoek naar de misdaden van de Duits-fascistische agressors, februari-maart 1945.

Bron: APMA-B.

Aleksyj Melnikow. Bron: APMA-B.
Foto van de rug van Aleksyj Melnikow. Bron: APMA-B

COMMISSIES DIE DUITSE MISDADEN IN VOORMALIG KAMP AUSCHWITZ ONDERZOEKEN: POOLSE COMMISSIES

In april 1944 begon de Poolse 'Commissie voor het onderzoeken van de nazi-Duitse misdaden in Auschwitz' met zijn werk. De leden inspecteerden de ruïnes van de crematoria en gaskamers in Birkenau en deden onderzoek naar de leefomstandigheden in het kamp. Daarna inspecteerden ze het hoofdkamp, waar voormalig gevangenen hen vertelden over de leefomstandigheden in blok 11, en hen de galgen, de ondergrondse cellen en het executieterrein tussen blok 10 en 11 lieten zien. Tot slot bezochten de commissieleden voormalig gevangenen in het Rode Kruis-ziekenhuis, die hen vertelden over hun persoonlijke ervaringen in het kamp. Vervolgens interviewden ze voormalig gevangenen als getuigen tijdens een plenaire sessie in Krakau. Op hetzelfde moment hoorde ook een juridische subcommissie voormalige gevangenen als getuigen.

In mei 1945 voerden leden van de juridische subcommissie, later ook de leden van de nieuw gevormde Hoofdcommissie voor onderzoek naar Duitse misdaden in Polen (afdeling Krakau) onder leiding van rechter Jan Sehn, een gedetailleerde inspectie uit van het terrein van het voormalige kamp. Ze zorgden er met grote vastberadenheid voor dat de overgebleven kampdocumentatie werd verzameld. Ze stelden ook fysiek bewijs van de begane misdaden veilig, waaronder monsters van het haar van slachtoffers en ventilatie-onderdelen uit de gaskamers, die ze voor analyse naar het forensisch onderzoeksinstituut in Krakau stuurden. Het instituut vond resten van waterstofcyanide en hieraan gerelateerde samenstellingen. De leden van de Poolse commissie interviewden ook vele voormalige gevangenen. De verzamelde documentatie werd later gebruikt tijdens de processen tegen voormalig commandant Rudolf Höss en 40 andere leden van het Auschwitz-kamppersoneel.

De getuigenis van voormalig gevangene Géza Mansfeld (rechts). Foto genomen in april 1945 terwijl hij getuigde voor de Commissie voor het onderzoeken van de nazi-Duitse misdaden in Auschwitz. Bron: APMA-B.

Géza Mansfeld, een Hongaarse Jood, geboren op 26 februari 1882 in Boedapest, farmacoloog en professor aan de universiteit van Pécs. In maart 1944 werd hij gearresteerd en vastgehouden in concentratiekamp Mauthausen. Op 15 juni 1944 werd hij overgebracht naar Auschwitz en geregistreerd als gevangene 189121. Het grootste deel van zijn gevangenschap werkte hij bij het Hygiëne-instituut van de SS in Rajsko. Na de bevrijding werkte hij in het Rode Kruis-ziekenhuis op het terrein van het voormalige kamp.

Luigi Ferri. Een Italiaanse jongen, geboren in Milaan op 9 september 1932. Gearresteerd in Triëst samen met zijn grootmoeder, die van Joodse afkomst was, en in juni 1944 gedeporteerd in een transport van Italiaanse Joden naar Auschwitz. Daar werd hij geregistreerd als gevangene B-7525 en samen met andere mannelijke gevangenen naar het quarantainekamp van Birkenau gestuurd (sector BIIa). Dankzij de zorg van gevangene en arts Otto Wolken Ferri overleefde hij zijn gevangenschap en werd bevrijd.

De getuigenis van Luigi Ferri. Foto genomen in april 1945 tijdens een zitting van de Commissie voor het onderzoeken van de nazi-Duitse misdaden in Auschwitz. Bron: APMA-B.

In de herfst van 1944 beval de SS gevangenen onderdelen van de gaskamers en crematoria te ontmantelen om ze naar andere concentratiekampen in Duitsland te vervoeren. Dit plan werd echter slechts gedeeltelijk gerealiseerd. Er bleven daarom verschillende onderdelen achter in het depot voor bouwmaterialen in Auschwitz, het Bauhof. In mei 1945 werden deze onderdelen gefotografeerd en beschreven door de Commissie voor het onderzoeken van de nazi-Duitse misdaden in Auschwitz (afdeling Krakau).

Op de voorgrond is gereedschap te zien dat door Sonderkommando-gevangenen werd gebruikt bij het verbranden van lichamen in de crematoriumovens. Op de achtergrond staan bakken voor het verwijderen van de asresten en links liggen ovenroosters. Foto genomen door Stanisław Łuczko, mei 1945. Bron: APMA-B.
Deur van een gaskamer, waarschijnlijk uit crematorium IV. Foto door Stanislaw Łuczko, mei 1945. Bron: APMA-B.
Ventilatiebuizen van crematorium II of III. Foto door S. Łuczko, mei 1945. Bron: APMA-B.
Het interieur van een van de kampgebouwen (exacte locatie onbekend), met verkreukelde en gescheurde kampdocumentatie verspreid over de vloer. Foto door S. Łuczko, mei 1945. Bron: APMA-B.
Commissieleden inspecteren de overblijfselen van gaskamer en crematorium II. Aan de linkerkant staat Dr. Jan Sehn en derde van links is voormalig gevangene Otto Wolken. Foto door S. Łuczko, mei 1945. Bron: APMA-B.

Henryk Tauber, een Poolse Jood, geboren in Chrzanów op 8 juli 1917. Op 19 januari 1943 gedeporteerd naar Auschwitz vanuit het getto van Krakau, geregistreerd als gevangene nummer 90124. Begin februari werd hij tewerkgesteld in het crematorium van Auschwitz I en een maand later overgeplaatst naar Birkenau, waar hij werd ingedeeld in het Sonderkommando van crematorium II. Tauber wist in januari 1945 te ontsnappen tijdens de evacuatiemars. In mei 1945 getuigde hij uitgebreid voor de Hoofdcommissie voor het onderzoeken van de nazi-Duitse misdaden in Auschwitz (afdeling Krakau).

Bron: APMA-B.

Henryk Tauber. Bron: APMA-B.

EPILOOG

Het werk van de Poolse Commissie werd gehinderd door de Sovjet-autoriteiten, die het voormalige hoofdkamp en deel van kamp Birkenau in de lente van 1945 gebruikten om doorgangskampen in te richten voor Duitse krijgsgevangenen. Het doorgangskamp in voormalig kamp Auschwitz I werd gebruikt tot de herfst van datzelfde jaar, terwijl het kamp in Birkenau begin 1946 werd opgeheven. Na de opheffing van de kampen voor krijgsgevangenen droegen de Sovjet-autoriteiten de terreinen van de voormalige kampen Auschwitz I en Birkenau over aan de Poolse overheid. Op initiatief van voormalige gevangenen ondernamen de autoriteiten in Warschau actie om het voormalige kampterrein te beschermen en een museum op te richten. De eerste voorstellen hiervoor werden ingediend door leden van beide Poolse commissies, maar konden niet worden gerealiseerd terwijl de kampen voor Duitse krijgsgevangenen in gebruik waren. 

Na actie door de autoriteiten in Warschau werd de 'Raad voor de bescherming van voormalige kampterreinen' opgericht en de leden van deze raad arriveerden in april 1946 in Oświęcim. Vanaf dat moment konden ze het terrein veiligstellen en het museum oprichten. De medewerkers van dit nieuwe instituut waren voornamelijk voormalige gevangenen die het terrein van het voormalige kamp beschermden, tentoonstellingen voorbereidden en bezoekers rondleidden als gids. Door hun inspanningen kon het museum op 14 juni 1947 officieel worden geopend, zeven jaar nadat de eerste politieke gevangenen in Auschwitz arriveerden.

Voormalig kamp Auschwitz I. Toegangspoort met het bord: 'Staatsmuseum in Oświęcim'. Foto door Antonin Ćenek, 1946. Bron: APMA-B.

Hoewel het museum op 14 juni 1947 officieel werd geopend, was het al sinds de lente van het voorafgaande jaar in gebruik. De medewerkers beschermden het terrein van het voormalige kamp, bereidden tentoonstellingen voor en gaven rondleidingen aan bezoekers. Op de foto is een van de vele groepen bezoekers te zien die het voormalige kamp in 1946 bezochten.

Credits: verhaal

Autor — Dr Jacek Lachendro, Centrum Badań PMA-B
Kurator — Agnieszka Juskowiak-Sawicka, MCEAH
Tłumacz na język angielski — Witold Zbirohowski-Kościa
Korekta wersji niemieckiej — Łukasz Martyniak, Centrum Badań PMA-B
Korekta wersji rosyjskiej — Nadia Ivanets
Korekta wersji angielskiej — Beata Kłos
Korekta wersji holenderskiej — Janna Ebbens
Korekta wersji francuskiej — Jarek Mensfelt

Credits: alle media
Het uitgelichte verhaal kan in sommige gevallen zijn gemaakt door een onafhankelijke derde partij en kan afwijken van de standpunten van de hieronder vermelde instituten die de content hebben geleverd.
Vertalen met Google
Homepage
Verkennen
Dichtbij
Profiel