1940 - 1945

Sonderkommando

Auschwitz-Birkenau State Museum

“We hebben een slecht voorgevoel, omdat we weten wat er gebeurt”

Het eerste crematorium in het Nazi-Duitse kamp Auschwitz werd in augustus 1940 in gebruik genomen. Een handvol Poolse gevangen werd uitgekozen om de installatie te bedienen.

Oorspronkelijk werd het crematoriumpersoneel niet beschouwd als een afzonderlijke eenheid, of 'Sonderkommando', maar als 'Krematoriumheizer', oftewel 'crematoriumstokers'. Naarmate het aantal doden in het kamp toenam en de gaskamer in het gebouw steeds vaker werd gebruikt, werd een kleine groep Joodse gevangenen (waaronder Filip Müller) ingelijfd bij de staf in het voorjaar van 1942.

Een plattegrond van Konzentrationslager (KL) Auschwitz I met het crematoriumgebouw. Bron: APMA-B. 
Crematorium en gaskamer I – huidige staat van het gebouw. Bron: PMA-B.
Een luchtfoto uit 1944 waarop het crematoriumgebouw is gemarkeerd. Bron: Archiwum Państwowego Muzeum Auschwitz-Birkenau (archieven van het staatsmuseum Auschwitz-Birkenau, hierna 'APMA-B' genoemd)
Identiteitskaart van Wacław Lipka, een van de eerste gevangenen die in het crematorium van het kamp tewerk werden gesteld (voorzijde). Bron: APMA-B.
Identiteitskaart van Wacław Lipka, een van de eerste gevangenen die in het crematorium van het kamp tewerk werden gesteld (achterzijde). Bron: APMA-B.
De kampfoto van Wacław Lipka. Bron: APMA-B.

De gevangenen die in het crematorium werkten, leefden in de woonblokken op het kampterrein. In eerste instantie was dat in Blok 4, en later Blok 15.

De Joodse gevangenen die in het voorjaar van 1942 door de Duitsers in het crematorium tewerk werden gesteld, woonden in cel 13 in de geïsoleerde kelderruimten in Blok 11.

Blok 15. Bron: APMA-B. 
Blok 11. Bron: APMA-B. 
Cellen in de kelder van het gebouw. Bron: PMA-B.

In de eerste maanden van 1942 werd kamp Auschwitz een van de plaatsen voor de 'Endlösung der Judenfrage' (de definitieve oplossing voor het Jodenprobleem). Transporttreinen met Joden die door de Duitsers voor vernietiging waren geselecteerd, arriveerden op treinsporen in de buurt van kamp Birkenau. De Joden die aankwamen werden naar gaskamers gebracht in twee woonhuizen in de buurt van het kamp, die speciaal voor dit doel waren verbouwd.

In deze geïmproviseerde gaskamers (die in kampdocumentatie 'Bunker I' en 'Bunker II' werden genoemd) werden Joden gedood met Zyklon B. De lichamen van de slachtoffers werden via handaangedreven spoorwagons naar graven in de buurt gebracht. Hier werden ze in eerste instantie begraven en vanaf de zomer van 1942 verbrand op brandstapels.

In het noordwesten van het kamp is een gebied gemarkeerd als de gesloten zone ('Sperrgebiet'). Bron: APMA-B.
Fragmenten van een plattegrond met de bufferzone rond het kamp ('Lagerinteressengebiet') en van de zone in Birkenau. Bron: APMA-B.
Een actuele satellietfoto van het terrein van de kampen Auschwitz en Birkenau. De gele kleur markeert de locatie van de Bunkers (de geïmproviseerde gaskamers). Bron: publiek domein

Jonge Joden, allen mannen, uit verschillende Europese landen werden door SS’ers ingelijfd in het Sonderkommando (speciale werkcommando). Ze waren verantwoordelijk voor het bedienen van de gaskamers en crematoria. De meesten van hen waren tussen 20 en 25 jaar oud. De meerderheid werd meteen bij aankomst in het kamp geselecteerd voor het Sonderkommando.

Een van de selectiecriteria en een bepalende factor in het uitkiezen van gevangenen voor het speciale commando was hun fysieke gesteldheid en kracht. Aangezien de SS-officieren wilden dat dit zeer zware werk snel en efficiënt werd uitgevoerd, delegeerden ze het aan mensen die nog niet waren uitgeput door een lang verblijf in het kamp, of die taai genoeg bleken om het werk aan te kunnen.

Op bevel van Adolf Eichmann moesten de gevangenen die in de vernietingingsgebouwen werkten, na elke grote vernietigingscampagne worden geliquideerd. De SS-officieren in het kamp realiseerden zich echter al snel dat mensen die gewend zijn geraakt aan dergelijk werk, efficiënter werken. Daarom werd er slechts één keer een volledig Sonderkommando geliquideerd, in december 1942.

In de jaren erna werden er wel gedeeltelijke liquidaties uitgevoerd van telkens niet meer dan de helft van het totale aantal mensen in het team.

Een van de weinige bewaard gebleven tewerkstellingskaarten van gevangenen met 'Sonderkommando' in de kolom ‘Werkgroep’. Deze kaart was van de gevangene Eliezer Eisenschmidt, die vanaf december 1942 tot aan de sluiting van het kamp in het Sonderkommando werkte. Bron: APMA-B.

De identiteit van de gevangenen uit het Sonderkommando werd geheim gehouden door de Politische Abteilung, de kamp-Gestapo. Ze werden beschouwd als 'Geheimnisträger' (dragers van geheimen) en er zijn maar weinig documenten over hen te vinden in de documentatie die later in de kampen werd gevonden.

In het voorjaar van 1943 werden vier grote crematoria in gebruik genomen in Birkenau. Elk hiervan bevatte grote ruimten waar de mensen die vergast zouden worden zich helemaal konden uitkleden. De moderne gaskamers waren ingericht met imitatiedouches, een afvoersysteem en mechanische ventilatie. De gebouwen waren bovendien voorzien van liften voor het transporteren van de lichamen, ovens voor het massaal verbranden van lichamen en andere faciliteiten die te maken hadden met dood en vernietiging, zoals ruimtes voor het uitvoeren van autopsieën.

Na de opening van de crematoria in Birkenau werden de verbrandingsovens in Auschwitz I uit bedrijf genomen en werden de gevangenen die er werkten overgebracht naar Birkenau en ingedeeld in het Sonderkommando.

De locatie van de crematoria in Birkenau. Een luchtfoto uit 1944. Bron: APMA-B.
Een totaalbeeld van Crematorium III. Foto genomen door de SS in 1943. Bron: APMA-B.
De hal met verbrandingsovens in Crematorium II.  Foto genomen door de SS in 1943. Bron: APMA-B. 
rematorium V.  Een foto genomen door de SS in 1943. Bron: APMA-B. 
Crematorium IV.  Een foto genomen door de SS in 1943. Bron: APMA-B.
Crematorium IV.  Een foto genomen door de SS in 1943. Bron: APMA-B. 

De volgende werkzaamheden rond de Jodenvernietiging vielen onder de taken van het Sonderkommando:

• In de ontkleedruimten van de gaskamers: de leden van het Sonderkommando assisteerden de gedeporteerde Joden en probeerden hen op hun gemak te stellen terwijl ze zich uitkleedden voor het zogenoemde 'baden'. Bovendien moesten ze op bevel van de SS mensen die tekenen van paniek vertoonden, achter het gebouw leiden, waar ze tijdens de executie werden vastgehouden. Nadat de laatste mensen de gaskamer waren binnengegaan, brachten ze de persoonlijke bezittingen van de slachtoffers uit de ontkleedruimte naar vrachtwagens die in de buurt in een transportcolonne klaarstonden.

• In de gaskamer: nadat ze de ruimte hadden geventileerd, spoelden ze alle lichaamsvloeistoffen van de lichamen, doorzochten ze de lichamen op verborgen waardevolle bezittingen en verwijderden ze edelmetalen tanden en protheses. Ze knipten bovendien het haar van de dode vrouwen af.

• Transport van de lichamen: afhankelijk van waar ze werkten, brachten de gevangenen de lichamen van de gaskamers naar de liften, en vanaf daar naar de verbrandingsovens van het crematorium of naar crematieputten.

• Verbranding van de lichamen: de gevangenen moesten hout opstapelen in de verbrandingsputten en later de lichamen van de slachtoffers op de brandstapels gooien. Gevangenen die in de crematoria werkten, schoven de lichamen op speciale karretjes of metalen stretchers in de verbrandingsovens. Specifieke groepen gevangenen waren belast met de aanvoer van brandstof (hout en cokes), het onderhouden van de juiste oventemperatuur, het overbrengen van menselijke asresten en het verpulveren van grotere botresten op de velden naast de executieterreinen.

• Aanvullende functies: leden van het Sonderkommando waren betrokken bij het sorteren van waardevolle objecten, het omsmelten van edelmetalen en het verwijderen van linten, haarspelden, enzovoort (tot het voorjaar van 1944) uit het afgeknipte haar van de vrouwen.

Het aantal gevangenen in het Sonderkommando varieerde, afhankelijk van de hoeveelheid vernietigingsoperaties die er werden uitgevoerd en het aantal actieve massavernietigingslocaties. In 1942 en 1943 bestond het Sonderkommando uit ongeveer 400 gevangenen. Begin 1944 daalde dit aantal tot ongeveer 200 na een selectie, maar steeg in de zomermaanden tot 870 mensen. Dit was het gevolg van het opschalen van de massamoorden. Halverwege 1944 werden er bijna dagelijks enkele duizenden Hongaarse Joden voor vernietiging naar de kampen gebracht, de meesten vanwege de zogenoemde Hongaarse campagne.

Arbeidsoverzicht uit medio 1944. Het aantal Sonderkommando-gevangenen in de dag- en nachtploegen, die in het document als 'Heizer Krematorium' (crematoriumstokers) worden aangeduid, was 870. Bron: APMA-B.

De leden van deze speciale groep werden gescheiden gehouden van de andere gevangenen en woonden in barakken die speciaal voor hen waren gereserveerd en die ommuurde binnenpleinen hadden. Dit was bedoeld om contact met andere gevangenen in het kamp onmogelijk te maken.

In eerste instantie was dit Barak 2 in sector BIb, en vanaf half 1943 was het Barak 13 in sector BIId. In de zomer van 1944 werden de gevangenen uit het Sonderkommando ondergebracht op de zolders van Crematoria II en III en in de kleedruimte van Crematorium IV, dat op dat moment niet in gebruik was.

Overblijfselen van Barak 13 in sector BIId. Bron: PMA-B.
Op deze archieffoto staan houten barakken in sector BII van kamp Birkenau. Bron: APMA-B.
Locatie van de leefruimte voor het Sonderkommando in het kamp. De rode markeringen geven de barakken aan voor het Sonderkommando in sector BIb en BIId, de gele markeringen duiden de crematoria aan waarin gevangenen in 1944 werden ingekwartierd. Bron: APMA-B.

De leden van het Sonderkommando leefden onder iets betere omstandigheden dan de andere gevangenen in het kamp. Omdat ze fit moesten blijven, stond de SS hen toe persoonlijke bezittingen te doorzoeken die de slachtoffers achterlieten in de kleedruimten van de crematoria. Op deze manier konden ze aan extra eten komen (vooral ingeblikte en houdbare levensmiddelen). Sonderkommando-leden mochten ook de burgerkleding gebruiken die in de kleedruimten achterbleef. Deze kleding werd echter wel speciaal gemarkeerd om ontsnappen uit het kamp moeilijker te maken. Er werden rode strepen op jassen en broeken geschilderd of er werden 'raampjes' uit geknipt die werden opgevuld met gestreepte stof.

Hoewel het streng verboden was, smokkelden Sonderkommando-gevangenen etenswaren, medicijnen en cosmetica naar het kamp om ze in kleine pakketjes over het ommuurde terrein van de Sonderkommando-barakken naar andere (vaak anonieme) gevangenen in het kamp te gooien.

De leden van dit speciale commando wisten precies wat er met hen zou gebeuren. Ze realiseerden zich dat ze als ooggetuigen van de misdaden die de Duitsers in de gaskamers begingen, nooit zouden worden vrijgelaten. Vanwege de constante confrontatie met liquidatie zagen ze ontsnappen als hun enige uitweg. Dat blijkt wel uit een aantal ontsnappingspogingen door leden van het Sonderkommando, die echter nooit slaagden.

Een verslag uit het logboek van de SS-officier die dienst had op 9 december 1942. Het bericht bevat informatie over een ontsnapping van zes leden van het Sonderkommando op 9 december 1942 en de gevangenname van de gevangenen die twee dagen eerder waren ontsnapt. Bron: APMA-B.
Een fragment uit het bevel van de leiding van kamp Auschwitz uit april 1943. Het bevat een eervolle vermelding voor een SS-officier die na een achtervolging twee Sonderkommando-gevangenen te pakken kreeg die op 9 maart 1943 uit het kamp hadden geprobeerd te ontsnappen. Bron: APMA-B.
Załmen Lewental. Bron: APMA-B.
Załmen Gradowski. Bron: APMA-B.

Sonderkommando-gevangenen realiseerden zich dat de SS zou proberen alle sporen van hun misdaden uit te wissen. Ze maakten daarom geheime aantekeningen van hun ervaringen en de gebeurtenissen die plaatsvonden in de crematoria. Deze werden later begraven op de binnenplaatsen van het vernietigingsterrein. Sommige van deze notitieboekjes zijn na de oorlog gevonden, waaronder die van Załmen Lewental (links) and Załmen Gradowski (rechts), Lejb Langfus en Chaim Cherman.

De houder waarin het notitieboekje van Załmen Lewental werd begraven. Bron: APMA-B.
Het notitieboekje van Załmen Lewental dat in 1962 werd ontdekt in de buurt van Crematorium III. Bron: APMA-B.
Een armband die bij de documentatie werd gevonden, waarschijnlijk afkomstig uit het ghetto in Łódź. Bron: APMA-B.
Een pagina uit het notitieboekje van Załmen Lewental. Bron: APMA-B.

Een clandestiene groep binnen het Sonderkommando nam foto's om de massamoorden in de zomer van 1944 te documenteren. Ze fotografeerden vrouwen die naar de gaskamer werden gebracht en het verbranden van lichamen op de brandstapel in de buurt van Crematorium V. Via kampgevangenen die bij het verzet zaten, werden de foto's later naar een locatie van de verzetsbeweging in Krakau gesmokkeld.

De locatie van de gaskamers in Crematorium V (geel gemarkeerd op de plattegrond). Bron: APMA-B.
Locatie van de gaskamers in Crematorium V (geel gemarkeerd op de luchtfoto uit 1944). Bron: APMA-B.
Foto genomen naast Crematorium V in Birkenau waarop vrouwen te zien zijn die naar de gaskamers worden gestuurd. Foto genomen door Sonderkommando-gevangenen. Bron: APMA-B.
Foto van het verbranden van lichamen op houtstapels, genomen door Sonderkommando-gevangenen. Bron: APMA-B.  
Foto van het verbranden van lichamen op houtstapels, genomen door Sonderkommando-gevangenen. Bron: APMA-B. 

Naast het documenteren van de misdaden begonnen Sonderkommando-gevangenen een opstand in het kamp te organiseren. De eenheid bestond uit enkele tientallen samenzweerders, waaronder Jankiel Handelsman, Załmen Gradowski, Josef Warszawski (ook wel Dorębus genoemd), Josef Deresiński, Lejb Langfus, en Szlomo en Abraham Dragon.

Ze wisten van de gevangenen die in de munitiefabriek werkten explosieven te bemachtigen, die ze gebruikten om primitieve handgranaten te maken. Ze wilden hiermee een van de centrale doelen van hun geplande opstand bereiken: het vernietigen van de crematoriuminstallaties. Ze hadden bovendien messen en andere voorwerpen verzameld die ze in gevechten van man tegen man konden gebruiken.

Władysław Siwek, kamp Auschwitz, Werkhalle. Bron: collectie van PMA-B..
Róża Robota, een van de vrouwelijke gevangenen die betrokken was bij het verzamelen en smokkelen van explosieven voor het Sonderkommando. Bron: APMA-B.

In de herfst van 1944 begon de SS met de geleidelijke liquidatie van de Sonderkommando-gevangenen. De eerste groep van 200 mensen werd in september omgebracht. Op 7 oktober 1944, toen de kampautoriteiten nog een groep gevangenen wilden liquideren, besloten de Sonderkommando-gevangenen in opstand te komen. De gevangenen verzamelden zich op het terrein vóór Crematorium IV, vielen de wachters aan en staken de kleedruimte in brand. De gewapende SS-troepen openden het vuur op de opstandelingen en doodden de meesten van hen op het terrein vóór Crematorium IV. Toen de SS eenmaal weer controle over de situatie had, werd er een selectie uitgevoerd onder de overlevende leden van het Sonderkommando, waarvan sommige werden gedood.

Een groep Sonderkommando-gevangenen van Crematorium II deed ook mee aan de opstand die begon bij Crematorium IV. Drie van hen deden een (helaas onsuccesvolle) poging om de verbrandingsovens van het crematorium op te blazen. De resterende gevangenen braken door het kamphek rond het crematorium en het vrouwenkamp in de buurt en vluchtten later naar het zuiden. De achtervolgende troepen haalden hen in en schoten hen op ongeveer twee kilometer van het kamp dood met machinegeweren, nog steeds binnen de zone rond het kamp ('Lagerinteressengebiet').

De opstand eindigde met de dood van 450 Sonderkommando-gevangenen en 3 SS'ers.

Een luchtfoto van het gebied (gemarkeerd in geel) uit 1944. Bron: APMA-B.
Het terrein vóór Crematorium IV waar de opstand en het gevecht met de SS'ers plaatsvonden op 7 oktober 1944. Bron: PMA-B.
De waarschijnlijke route van de gevluchte gevangenen uit Crematorium II, richting het zuiden. Bron: APMA-B.
Een aantekening in het logboek van het Duitse politiebureau in Auschwitz. Om 14:00 uur op 7 oktober 1944 werd een notitie gemaakt van een massale uitbraak van gevangenen uit het kamp. Bron: APMA-B.
Een garnizoensorder van 12 oktober 1944. In het eerste gedeelte staan de namen van de drie SS'ers die omkwamen tijdens de opstand van het Sonderkommando. Bron: APMA-B.

Na de opstand werd door de kampautoriteiten een onderzoek gestart om de leden van het Sonderkommando te liquideren die betrokken waren bij de samenzwering, en om de gevangenen te vinden die in de munitiefabriek werkten en hen de explosieven hadden geleverd. In het kader van deze SS-operatie werden verschillende Sonderkommando-gevangenen en vrouwelijke gevangenen die in de munitiefabriek werkten, naar de kampgevangenis gebracht. De Joden uit het Sonderkommando werden vermoord in Blok 11, en de vrouwelijke gevangenen (Ella Gartner, Róża Robota, Regina Safir en Estera Wajsblum) werden openbaar geëxecuteerd in januari 1945.

In november 1944 stopten de Duitsers met de massavernietiging van Joden in kamp Auschwitz.

De SS-autoriteiten besloten de crematoria in Birkenau te ontmantelen. Sonderkommando-gevangenen werden ingezet om de apparatuur te ontmantelen en Crematoria II tot en met IV af te breken. Ze moesten daarna in het laatste nog werkende crematorium werken: Crematorium V.

Op 28 november 1944 werd er nog een selectie uitgevoerd. Dit leidde ertoe dat 70 gevangenen met onbekende bestemming werden meegenomen uit het kamp. Poolse gevangenen die eerder in het laatste werkende Crematorium I hadden gewerkt en later tewerk werden gesteld in het Sonderkommando van Birkenau, werden gescheiden van de andere groepen. In de eerste dagen van januari 1945 werden ze overgebracht naar kamp Mauthausen, waar ze twee weken vóór de bevrijding van het kamp werden vermoord.

Bevestiging van het overbrengen van Poolse gevangenen die in het crematorium werkten van kamp Auschwitz naar kamp Mauthausen. Bron: APMA-B.

De laatste groep Sonderkommando-gevangenen, die uit honderd mensen bestond, bleef op het kampterrein totdat het kamp op 18 januari 1945 werd geëvacueerd. Op die dag werden ze, samen met de overgebleven gevangenen uit kamp Auschwitz, weggeleid in zogenoemde 'dodenmarsen' richting Wodzisław Śląski. Daar stonden treinen klaar naar kampen diep in het Derde Rijk. Tijdens de mars ontsnapten Henryk Tauber, Szlomo Dragon, Eliezer Eisenschmidt, Henryk Mandelbaum en Alter Fajnzylberg (ook wel Stanisław Jankowski genoemd) uit het transport. Met hulp van lokale bewoners wisten ze te overleven en onder te duiken tot de bevrijding.

Veel van de Sonderkommando-leden die niet ontsnapten tijdens het transport, maakten wel gebruik van de algehele verwarring om zich bij andere groepen gevangenen te voegen. Ze wilden zo verbergen dat ze lid waren geweest van deze speciale afdeling. Deze strategie werkte in veel gevallen, waardoor zo'n veertig tot vijftig gevangenen uit de speciale werkcommando's de oorlog wisten te overleven.

Zbigniew Otwinowski, evacuatie van de gevangenen van kamp Auschwitz (1946). Bron: collectie van PMA-B.
Het dossier van Abraham Dragon, gevangene en lid van het Sonderkommando, opgesteld in kamp Mauthausen. Er wordt niet in vermeld dat de gevangene lid was van het Sonderkommando. Bron: APMA-B.

Vanaf de eerste dagen na de bevrijding van kamp Auschwitz probeerden onderzoekers de schaal te bepalen van de misdaden die de Duitse Nazi's in het kamp hadden begaan. De eerste onderzoeksorganisatie was de 'Buitengewone Sovjet-staatscommissie voor onderzoek naar de misdaden van de Duits-fascistische agressors'. Ze ondervroegen onder andere Sonderkommando-leden die het laatste transport waren ontvlucht. Bovendien traden voormalige Sonderkommando-gevangenen Henryk Tauber, Szlomo Dragon en Henryk Mandelbaum op als getuige bij het onderzoek naar en de berechting van de voormalige commandant van kamp Auschwitz, Rudolf Höss.

Henryk Tauber legt zijn getuigenis af voor de Buitengewone Sovjet-staatscommissie voor onderzoek naar de misdaden van de Duits-fascistische agressors. Een beeld uit de documentaire 'Die Befreiung von Auschwitz'. Bron: APMA-B.

Jarenlang waren ex-gevangenen van het Sonderkommando betrokken bij educatieve en herdenkingsactiviteiten. Ze schreven hun ervaringen en herinneringen op en vulden daarmee de bestaande kennis aan van het functioneren van de gaskamers en crematoria in kamp Auschwitz voor de staatsmuseumarchieven van Auschwitz-Birkenau. Een aantal van hen schreven memoires die als boeken werden uitgegeven en gaven uitgebreide interviews.

Op de foto: Henryk Mandelbaum tijdens een bijeenkomst met docenten bij de overblijfselen van Crematorium V (oktober 2004). Bron: PMA-B.
Credits: verhaal

Autor — Dr Igor Bartosik, Centrum Badań PMA-B
Kurator — Agnieszka Juskowiak-Sawicka
Tłumacz na język angielski — Piotr Krasnowolski
Korekta wersji angielskiej — Beata Kłos
Korekta wersji niemieckiej — Łukasz Martyniak, Centrum Badań PMA-B
Korekta wersji rosyjskiej — Dr Igor Bartosik, Centrum Badań PMA-B
Korekta wersji holenderskiej — Janna Ebbens
Korekta wersji francuskiej  — Jarek Mensfelt

Credits: alle media
Het uitgelichte verhaal kan in sommige gevallen zijn gemaakt door een onafhankelijke derde partij en kan afwijken van de standpunten van de hieronder vermelde instituten die de content hebben geleverd.
Vertalen met Google
Homepage
Verkennen
Dichtbij
Profiel