Een gedetailleerde studie van een meesterwerk

INLEIDING

De val der opstandige engelen van Pieter Bruegel de Oude is één van de meesterwerken uit de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België.

De Koninklijke Musea kochten het werk in 1846, in de veronderstelling dat het om een werk ging van zijn zoon, Pieter Brueghel de Jonge.

Later zou het werk nog toegeschreven worden aan Jheronimus Bosch (1450-1516), totdat in 1898 in de linkeronderhoek, verborgen onder de lijst, de datum en de handtekening "MDLXII / Brvegel" ontdekt werden.

Zo werd het schilderij eindelijk toegeschreven aan de rechtmatige schepper, Bruegel de Oude.

"TOEN BRAK ER OORLOG UIT IN DE HEMEL…"
HOOFDSTUK 1. Iconografie en compositie

Het werk toont de allereerste confrontatie tussen goed en kwaad, nog vóór de zondeval van Adam en Eva, het moment waarop de opperste engel, Lucifer (of "lichtbrenger") zich tegen het goddelijk gezag keert. Na de opstand wordt hij op bevel van God door de aartsengel Michaël uit de hemel verjaagd, waarbij hij in zijn val andere opstandige engelen meesleurt.

Deze veranderen op hun beurt in monsters en worden tot het rijk der duisternis veroordeeld.

Het beeldvlak laat zich horizontaal opsplitsen in twee min of meer gelijke delen: de hemel neemt het bovenste deel van de rechthoek in beslag, de hel het onderste deel.

Het lichte palet van de hemel contrasteert met de diepe, donkere tonen van de hel, een combinatie van warme okergele en bruine kleuren.

Deze compositie versterkt het idee van een strijd tussen goed en kwaad, een thema dat regelmatig terugkeert in het werk van Pieter Bruegel de Oude.

In het centrum van de dramatische, duizelingwekkende compositie zien we aartsengel Michaël, met uitgestrekte vleugels en een serene blik.

Hij draagt een glanzende, gouden wapenuitrustingterwijl zijn cape schitterend gedrapeerd achter hem aan zweeft. Hij houdt een schild in de hand met daarop een rood Latijns kruis tegen een witte achtergrond, het symbool van de opstanding van Christus.

De rechtervoet van de aartsengel steunt op de buik van het zevenkoppige monster uit de Openbaring (12:7-23), wat hem een moment van relatieve stabiliteit bezorgt.

Tine L. Meganck, postdoctoraal onderzoeker bij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, leest ons het fragment voor over de strijd tussen de aartsengel Michaël en de draak, uit de Openbaring:

"Toen brak er oorlog uit in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, ook de draak en zijn engelen voerden oorlog. Maar zij waren niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt. Hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen."

(Openbaring 12. 7)

"And there was war in heaven" Reading of an extract from the Apocalypse

De aanwezigheid van het monster uit de Openbaring (nog net herkenbaar in het midden van de compositie) toont de originaliteit van Bruegel. Hij verenigt hier immers twee Bijbelverhalen: het begin der tijden en het einde der tijden.

In de loop der eeuwen zijn de verhalen van Lucifer en het monster van de Openbaring door elkaar gaan lopen, maar deze iconografische ambiguïteit is geen toeval: door naar beide verhalen te verwijzen, toont Bruegel de eeuwige strijd tussen goed en kwaad, met name één van de voornaamste elementen ervan: de hoogmoed.

Op dit doek vat Bruegel tijd en ruimte in één enkel beeld samen.

Met zijn zwaard hoog boven het hoofd overwint aartsengel Michaël de draak van de Openbaring alvorens hem samen met de gevallen engelen in de diepten van de hel te storten. Die val wordt al gesuggereerd door de kronkelende beweging van de draak, met de buik naar de hemel en de zeven koppen naar de hel gericht.

Vanuit de achtergrond vloeit een helse spiraal van demonische personages over het beeldvlak.

DE BRONNEN WAARUIT BRUEGEL ZIJN INSPIRATIE PUT
HOOFDSTUK 2

1. VERWIJZINGEN NAAR HET WERK VAN JHERONIMUS BOSCH

De draak en Lucifer worden vergezeld door opstandige engelen die tijdens hun val veranderen in demonen en andere hybride monsters met Bosch-achtige accenten - zoals het gehelmde personage rechts van aartsengel Michaël.

De schilder stopte ook heel wat humor in zijn werk.

Kijk bijvoorbeeld naar het detail in de linkerbenedenhoek, net boven de handtekening van Bruegel.
Daar hangt een half-menselijke, half-hagedisachtige duivel ondersteboven terwijl hij in zijn enkel bijt en de toeschouwer vol minachting zijn achterste laat zien.

2. DE NIEUWE WERELD & DE CULTUUR VAN DE CURIOSITEITENKABINETTEN

Het werk van Bruegel bevat talrijke verwijzingen naar de Nieuwe Wereld.

De fauna, flora en inheemse volken van het Amerikaanse continent krijgen in de 16de eeuw steeds meer belangstelling en de eerste ontdekkingsreizigers observeren en omschrijven ze dan ook minutieus. Er verschijnen talrijke geïllustreerde boeken over botanica, zoölogie en zelfs cartografie.

Deze aantrekkingskracht van de Nieuwe Wereld vertaalt zich tevens in een snel toenemende handel, waarvan de haven van Antwerpen één van de epicentra wordt. Tijdens de regering van Karel V is de stad één van de grootste financiële centra van het opkomende kapitalisme en de ontluikende wereldeconomie.

De ontdekking van verre continenten en oude culturen leidt tot een toestroom van nieuwe kennis.

Met een encyclopedische drang worden deze ontdekkingen en wetenswaardigheden gerepertorieerd in natuurhistorische werken en prentenreeksen die vanaf de tweede helft van de 16de eeuw in omloop zijn. De meest opvallende uiting van het verlangen om alle kennis te organiseren is het ontstaan van curiositeitenkabinetten. Via deze kabinetten probeert men structuren in het leven te roepen die de "dingen der wereld" classificeren.

De meeste verzamelaars uit die tijd maakten een onderscheid tussen dat wat door de mens was gemaakt (artificialia) en dat wat door de natuur was geschapen (naturalia).
Deze binaire verdeling (kunst versus natuur), die haar oorsprong vindt in de filosofie van de Oudheid, zien we ook terug op het doek van Bruegel. De schilder ‘vult’ zijn compositie zoals een verzamelaar zijn curiositeitenkabinet.

“NATURALIA”

In De Val van de opstandige engelen stelt Bruegel zijn gevallen engelen samen uit naturalia (door de natuur geschapen voorwerpen).

Hun natuurgetrouwe weergave veronderstelt een uitgebreide studie van de zichtbare wereld, alsof hij ze in curiositeitenkabinetten had geobserveerd. Neem bijvoorbeeld de figuur net onder de rechtervoet van Michaël...

... de vlindervleugels van dit schepsel, met zwarte en gele motieven, zijn zonder twijfel die van de koninginnenpage (Papilio machaon) - een bijzonder mooie vlindersoort die op het Europese en Amerikaanse continent leeft. Door het zachte engelenhaar, de suikerzoete smaak die het aardbeivormige lichaam doet veronderstellen en de exotische geur van de bloemenstaart is dit één van de meest verleidelijke demonen binnen deze compositie.

Het zal niemand verbazen dat Bruegel, als aandachtig waarnemer van de wereld om hem heen, ook zeldzame dieren uit de Nieuwe Wereld afbeeldde.

Exotische dieren waren bijzonder populair bij verzamelaars. Maar omdat ze zo zeldzaam en ongewoon waren, werden ze vaak als monsterlijk gezien. Zo verandert het schild van een gordeldier (van de familie der Cingulata), met de typische botplaten en geribde staart, tijdens de afdaling naar de hel langzaam in een zwaar metalen pantser.

Gordeldieren waren een heuse curiositeit voor de tijdgenoten van Bruegel. Het dier leeft immers uitsluitend op het Amerikaanse continent. In Europa circuleren er dan al veel prenten en andere illustraties van het exotische dier en die waren Bruegel ongetwijfeld niet onbekend.

De aanwezigheid van dit schepsel wijst erop dat Bruegel vertrouwd was met de beschrijvingen van de eerste ontdekkingsreizigers op het Amerikaanse continent.

Het feit dat Bruegel het dier voorstelt als een demon, getuigt natuurlijk van een bepaalde perceptie van de Nieuwe Wereld.

Onder de naturalia schildert Bruegel ook elementen die herkenbaar zijn als schaaldieren, weekdieren en vissen. Soms combineert hij ze maar soms geeft hij ze ook natuurgetrouw weer. Dat is bijvoorbeeld het geval met de kogelvis (Tetraodontiformes, uit de familie van de Tetraodontidae) die in de rechterbovenhoek te zien is.

Het gaat hier om een exotische vis uit de Stille en Indische Oceaan, die te herkennen is aan zijn vooruitstekende tanden, zijn stekels en aan het feit dat hij zijn buikholte vult met water wanneer hij zich bedreigd voelt. Hier staat hij op het punt te worden neergeslagen door het zwaard van één van de engelen die strijdt aan de zijde van aartsengel Michaël.

“ARTIFICIALIA”

In zijn monsterlijke schepsels verwerkt Bruegel niet alleen naturalia maar ook artificialia (door de mens gemaakte voorwerpen).

De gedetailleerde voorstelling die hij van deze voorwerpen geeft, getuigt van Bruegels diepgaande kennis van dit soort verzamelobjecten. Zo beeldt hij verscheidene gevallen engelen af met instrumenten uit de wereld van de muziek en de wetenschap, wapens en wapenuitrustingen, etnografische voorwerpen en zelfs kunstwerken.

Eén van de demonische wezens is bijvoorbeeld voorzien van een soort tweedelig harnas gemaakt van een zonnewijzer. Beide delen worden bijeengehouden door een leren band.

Dergelijke draagbare klokken waren uitermate geliefd bij verzamelaars: ze waren meestal gemaakt uit ivoor en dus zeer kostbaar. Het ingelegde kompas bestond uit een naald en een bronzen plaat, waarmee op grond van de stand van de zon de tijd kon worden bepaald.

Bruegel heeft zijn oog voor detail zo ver doorgevoerd dat hij zelfs de verschillende inscripties op de wijzerplaat in rood en zwart heeft weergegeven. De andere cirkels staan voor de tekens van de dierenriem die vaak op dit soort instrumenten te zien zijn. Door zijn aanwezigheid en positie krijgt de zonnewijzer hier een heel bijzondere betekenis: hij herinnert ons eraan dat de strijd tussen goed en kwaad alom aanwezig is, en verwijst naar de combinatie van twee verhalen, dat van het begin der tijden en dat van het einde der tijden. Bovendien moet het instrument de toeschouwer ertoe overhalen zijn tijd op aarde zo goed mogelijk te benutten.

Dit soort zonnewijzers werd tegelijkertijd beschouwd als een meetinstrument om de aardse chaos te corrigeren en om zich beter af te stemmen op de regelmaat van het universum. Door hem op de rug van een gevallen engel te plaatsen, lijkt Bruegel met een zekere ironie naar deze ideeën te verwijzen.

De bijna exhaustieve inventaris van wapens en wapenuitrustingen die Bruegel hier neerzet, verleent zijn Val van de opstandige engelen een uniek karakter.

Dergelijke artefacten waren een belangrijk onderdeel van de eerste moderne, vaak prinselijke collecties.

Naast de glimmende wapenuitrusting van aartsengel Michaël wemelt de compositie van andere voorbeelden. Het feit dat sommige bovendien uit de Ottomaanse cultuur komen bewijst nog maar eens hoe goed de schilder dit type artefacten kende.

Onder de muziekinstrumenten valt, naast de hemelse bazuinen van de engelen die Michaël bijstaan, ook een draailier op, die in die tijd een populair instrument was.

De klankkast van het instrument dient hier als lijf van één van de hybride monsters met bovendien het hoofd en de handen van een kreeft.

Half verborgen onder dit schepsel zien we een andere gevallen engel, die zijn roze wangen behouden heeft en op een bazuin blaast.

Critical interpretation of The Fall of the Rebel Angels (cont.)

Onder de artificialia valt ook de rode tulband op.

Het lijkt een verwijzing te zijn naar Man met rode tulband (1433) van Jan Van Eyck (1390-1441), een schilderij dat te zien is in de Londense National Gallery .

Op de rug van een bijna naakte duivel met vuurrode haardos en het hoofd ondersteboven zien we rode en witte veren.

Mogelijk zijn die een verwijzing naar de Amerindiaanse culturen waarvan op dat moment in Europa voorstellingen beginnen te circuleren.

Dit detail is geheel in lijn met het beeld dat men in die tijd van deze volkeren had: naakte wezens die in hutten leven en soms zelfs kannibaalse gewoonten hebben. Het is dan ook niet vreemd dat Bruegel deze figuur in het demonische deel van zijn compositie plaatst.

De trouwe engelen worden weergegeven in witte gewaden tegen een azuurblauwe hemel. Zij zijn gewapend met zwaarden en bazuinen, waarvan de muziek de strijders moet aanmoedigen.

In de verte blazen sommigen zelfs al de overwinning waaruit we kunnen afleiden dat het gevecht positief zal aflopen.

NAAR EEN POLITIEKE LEZING
HOOFDSTUK 3

Met al die hoofden naar beneden, poten en benen in de lucht, vogels die uit de lucht vallen en vliegende vissen, is De Val van de opstandige engelen misschien wel Bruegels meest letterlijke voorstelling van een wereld die volledig op zijn kop staat.

Door zuivere engelen te laten veranderen in de meest onvoorstelbare monsters toont Bruegel op uiterst levendige wijze de helse gevolgen voor wie tegen de gevestigde orde ingaat. Volgens sommigen is dit schilderij tekenend voor de aandacht die Bruegel had voor de onrust in zijn tijd; misschien is het zelfs een voorbode van de politieke en religieuze veranderingen die de Nederlanden op dat moment bedreigen.

Tine L. Meganck, postdoctoraal onderzoeker bij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, vertelt ons over een mogelijk politieke lezing van Bruegels De Val van de opstandige engelen.

At the time, Margaret of Parma was the Regent of the Netherlands. She was advised by the powerful Cardinal de Granvelle. History remembers Granvelle as a hated politician, but he was also a great patron, hosting artists in his palace, and a great collector of artificialia and naturalia, the type of enthusiast that Bruegel targeted. He owned at least one more of Bruegel's works. In 1561, Granvelle was named Archbishop of Malines. This position led to a power struggle with the local nobility, including the young William of Orange. Whilst Orange himself was not a great collector, he had inherited one of the Flemish master's works, which was the subject of great envy: Hieronymus Bosch's The Garden of Earthly Delights. It was one of these paintings that Bruegel tried to surpass in The Fall of the Rebel Angels.

In 1562, Orange made his Brussels palace the home of the "League against Granvelle". As for Granvelle, he reported Orange's growing disobedience to the King. From a theatre performance organised that same year, we can deduce that the population also felt that tensions had reached a peak. Rhetoricians from Brussels organised a competition on the issue of "How to maintain peace in these countries". Different participants mentioned Lucifer's disobedience as a negative example; pride led to discord and disorder, which were a threat to peace. Bruegel was familiar with the culture of both the rhetoricians and the court collectors. We can therefore ask the question as to whether, by emulating Bosch – particularly with The Garden of Earthly Delights in Orange's possession – Bruegel was targeting the collector Granvelle or his fight for power.

Critical interpretation of The Fall of the Rebel Angels (cont.)

De voorstellingen van een tot een apocalyps gedreven wereld door de waanzin van de mens, waren bij Bruegel werkelijk visionair: in 1562 moeten de grote oorlogsrampen die de Nederlanden later zullen teisteren, nog komen.

Maar in het licht van de gebeurtenissen van nog geen vier jaar later, met de Beeldenstorm van 1566 en de daaropvolgende opstand, wordt de door Bruegel geschilderde waarschuwing - hoogmoed komt voor de val – een pijnlijke realiteit.

Tine L. Meganck, postdoctoraal onderzoeker bij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, legt ons uit waarom Bruegel volgens haar zo'n ongelofelijke schilder is.

CONCLUSIE
De bronnen waaruit Bruegel zijn inspiratie haalt, getuigen van zijn diepgaande kennis van de artistieke en wereldse creaties om hem heen. Dit meesterwerk over hoogmoed, nodigt de toeschouwer uit na te denken over de mogelijke gevaren van de zoektocht naar kennis en kunst, een thema dat erudiete verzamelaars uit die tijd zeker aansprak, maar vandaag wellicht ten onrechte minder aandacht krijgt.
Credits: verhaal

COÖRDINATIE & REDACTIE
Jennifer Beauloye

WETENSCHAPPELIJK TOEZICHT
Tine Meganck

BRON
Tine Luk Meganck, Pieter Bruegel the Elder, Fall of the Rebel Angels : Art, Knowledge and Politics on the Eve of the Dutch Revolt, Brussels, Silvana Editoriale & Royal Museums of Fine Arts of Belgium, 2014.

MET DANK AAN
Véronique Bücken, Joost Vander Auwera, Sabine Van Sprang, Tine Luk Meganck, Germeau, Pauline Vyncke, Lies van de Cappelle, Karine Lasaracina, Isabelle Vanhoonacker‎, Gladys Vercammen-Grandjean, Marianne Knop‎.

COPYRIGHTS
© Museo del Prado, Madrid
© KBR, Bruxelles
© Courtesy of the Biblioteca Universitaria di Bologna
© Rijksmusem, Amsterdam
© Museum of the History of Science, Oxford University
© New York, Metropolitan Museum of Art. From the collection of Nina and Gordon Bunshaft, Bequest of Nona Bunshaft, 1994.
© The National Gallery, London
© Musées royaux d'Art et d'Histoire, Bruxelles
© Klassik Stiftung, Weimar
© D-Sidegroup

Credits: alle media
Het uitgelichte verhaal kan in sommige gevallen zijn gemaakt door een onafhankelijke derde partij en kan afwijken van de standpunten van de hieronder vermelde instituten die de content hebben geleverd.
Vertalen met Google
Homepage
Verkennen
Dichtbij
Profiel