INLEIDING

De hedendaagse toeschouwer kan in het werk van Bruegel de Oude volop genieten van het Vlaanderen van de 16e eeuw. Als scherpe waarnemer van de wereld om hem heen beperkt Bruegel zich niet tot anekdotes en schildert hij de actualiteit van zijn tijd met intelligentie en humor. De schilder begint zijn artistieke carrière in Antwerpen, één van de grootste havensteden van die tijd. Van daaruit reist hij door het Italië van Titiaan en Michelangelo en enkele jaren later verovert hij een plaats aan het hof van de gouverneurs van de Spaanse koning Filips II in Brussel, waar hij ongetwijfeld de godsdiensttwisten voelt aankomen die de Nederlanden weldra in hun bloedige greep krijgen.

Deze elementen vinden we terug in zijn schilderijen en daarom is het nodig ons nader te verdiepen in het tijdperk van Bruegel. Alleen zo kunnen we het belang van zijn schilderijen inzien waarvan de meeste niet aan actualiteit hebben ingeboet. Philippe Roberts-Jones), voormalig hoofdconservator van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (1961-1984) en auteur van meerdere referentiewerken over de Vlaamse meester, noemde hem niet voor niets ’Bruegel le permanent’.
De 16e eeuw is er één van talloze ingrijpende veranderingen: ontdekkingsreizen, de opbloeiende Renaissance en de opkomst van het humanisme. Het is ook de eeuw van nieuwe, volwaardige kunstgenres zoals het landschap en de genreschilderkunst. Via het schildergenie van Bruegel krijgen we een beeld van één van de meest complexe periodes in de geschiedenis - en de kunstgeschiedenis - van de Nederlanden.

Jean-Philippe Theyskens, gids van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, vertelt ons waarom Bruegel een tijdloze schilder is.

HET HEILIGE ROOMSE RIJK DER DUITSE NATIE VAN KAREL V
HOOFDSTUK 1. Politieke context

De schilder is waarschijnlijk geboren rond 1525, in het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie van Karel V, erfopvolger van Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige.

De vroegere Nederlanden worden onder het bestuur geplaatst van Margaretha van Oostenrijk, de tante van Karel V, die Mechelen, in de provincie Antwerpen, als haar hoofdverblijfplaats kiest.
Na haar dood in 1530 wordt Maria van Hongarije, de zus van Karel V, aangesteld als landvoogdes van de Nederlanden. Zij geeft de voorkeur aan Brussel, waar zij zich vestigt in het hertogelijk paleis op de Coudenberg . Brussel wordt zo de hoofdstad van de Bourgondische Nederlanden.

Bruegel wordt leerling in het atelier van Pieter Coecke van Aelst, op het moment dat Europa verscheurd wordt door de Frans-Habsburgse oorlog (1542) tussen enerzijds keizer Karel V en Hendrik VIII van Engeland en anderzijds de Franse koning Frans I. Deze laatste behaalt in 1552 de overwinning voor Frankrijk, en in datzelfde jaar wordt Bruegel ingeschreven als vrijmeester van het St.-Lucasgilde te Antwerpen.

Zoals dat in die tijd gebruikelijk was, vertrekt de schilder vervolgens naar Italië om daar zijn leertijd te voltooien. Kort na Bruegels terugkeer treedt Karel V af in de grote zaal van zijn Brussels paleis, de Aula Magna, waarvan archeologen onlangs restanten hebben gevonden die nu te bezichtigen zijn onder het Koningsplein.

In 1555 draagt Karel V Oostenrijk en Midden-Europa over aan zijn broer Ferdinand. Spanje en de Nederlanden gaan naar zijn zoon, Filips II. Deze laatste wordt hierdoor de nieuwe hertog van Bourgondië en heer der Nederlanden.

In 1559 keert Filips II terug naar Spanje. Hij benoemt zijn zus, Margaretha van Parma, tot landvoogdes van de Nederlanden. De voormalig adviseur van zijn vader Karel V, kardinaal Antoine Perrenot de Granvelle, krijgt eveneens ruime bevoegdheden.

Vier jaar later, in 1563, komt Bruegel aan in Brussel, ongetwijfeld om dichter bij het hof en mogelijke opdrachten te zijn. Maar er is waarschijnlijk nog een andere, meer persoonlijke reden voor de verhuizing. Vorsers ontdekten onlangs Bruegels akte van ondertrouw in de registers van de kathedraal van Antwerpen. In het licht van zijn latere huwelijk verleent deze akte geloofwaardigheid aan Karel van Manders bewering in zijn Schilder-Boeck dat miniatuurschilderes Mayken Verhulst (latere schoonmoeder van Bruegel) druk op de schilder zou hebben uitgeoefend. Nu hij op het punt staat haar dochter te huwen, moet de schilder afstand nemen van een relatie die hij in Antwerpen zou hebben gehad. Zo komt het dus dat Bruegel in 1563 naar Brussel verhuist.

In 1559 keert Filips II terug naar Spanje. Hij benoemt zijn zus, Margaretha van Parma, tot landvoogdes van de Nederlanden. De voormalig adviseur van zijn vader Karel V, kardinaal Antoine Perrenot de Granvelle, krijgt eveneens ruime bevoegdheden.

Vier jaar later, in 1563, komt Bruegel aan in Brussel, ongetwijfeld om dichter bij het hof en mogelijke opdrachten te zijn. Maar er is waarschijnlijk nog een andere, meer persoonlijke reden voor de verhuizing. Vorsers ontdekten onlangs Bruegels akte van ondertrouw in de registers van de kathedraal van Antwerpen. In het licht van zijn latere huwelijk verleent deze akte geloofwaardigheid aan Karel van Manders bewering in zijn Schilder-Boeck dat miniatuurschilderes Mayken Verhulst (latere schoonmoeder van Bruegel) druk op de schilder zou hebben uitgeoefend. Nu hij op het punt staat haar dochter te huwen, moet de schilder afstand nemen van een relatie die hij in Antwerpen zou hebben gehad. Zo komt het dus dat Bruegel in 1563 naar Brussel verhuist.

Bruegelhuis, de Hoogstraat 132, Brussel, België

In de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Kapellekerk, in de historische wijk de Marollen (op nog geen tien minuten lopen van het Paleis op de Coudenberg), trouwt hij nog hetzelfde jaar met Mayken Coecke, de dochter van zijn vroegere leermeester, Pieter Coecke van Aelst.

Na de geboorte van twee zonen, Pieter Brueghel de Jonge (bijgenaamd "Helse Brueghel") en Jan Brueghel (bijgenaamd "Fluwelen Brueghel"), sterft hij in 1559 te Brussel. De meester wordt begraven in dezelfde kerk waar hij gehuwd is. Jan Brueghel bestelt later bij zijn vriend Rubens een schilderij dat de patroonheilige van de overledene voorstelt, met de titel Christus geeft de sleutels aan de Heilige Petrus. In 1676 restaureert de kleinzoon van Jan Brueghel, David Teniers III, het graf van zijn voorvader.

GODSDIENSTTWISTEN
HOOFDSTUK 2. Ideologische context

Onder de heerschappij van Karel V doet in Duitsland het lutheranisme zijn intrede.

Al snel worden Luther, Zwingli en Calvijn een zorg voor de katholieke kerk, die toch al behoorlijk verzwakt is door de oprichting van de Anglicaanse kerk van Hendrik VIII in 1531. Gedurende de hele 16e eeuw wordt Europa verscheurd door godsdienstoorlogen.
Als reactie hierop richt Ignatius van Loyola, vurig voorstander van de Contrareformatie, in 1540 de Sociëteit van Jezus op. Als opvolger van de ‘Katholieke Koningen’ blijft ook Karel V niet achter. Hij moet de kerk verdedigen en de Lutherse reformatie bestrijden. Het concilie van Trente (1545-1563) organiseert daarom de Contrareformatie en verhevigt de Inquisitie.
Overal in de Nederlanden worden strenge edicten (‘plakkaten’ genoemd) tegen ketterij uitgevaardigd, die in het bijzonder een regeringscontrole van alle publicaties en prenten opleggen. Die censuur treft onder andere het uitgevershuis van Hiëronymus Cock, "In de Vier Winden", waarvoor Bruegel halverwege de jaren 1550 begint te werken. De plakkaten worden in 1546 gevolgd door een index die door de Katholieke Universiteit Leuven wordt uitgewerkt.

Tot de komst van Filips II blijft de toepassing van de plakkaten van Karel V relatief laks, maar net vóór het vertrek van Filips II naar Spanje, in 1559, verhardt deze de maatregelen. Hij richt zich in de plakkaten zowel tegen de ketters als tegen de wederdopers en calvinisten. De binnenlandse situatie in de Nederlanden verslechtert. Het absolutisme van Karel V werd nog enigszins geaccepteerd omdat hij in Gent was geboren, maar de autoriteit van Filips II wordt veel minder getolereerd temeer daar hij het land verlaat om zich in Spanje te vestigen.

Maar de toenemende problemen in de Nederlanden hebben nog een andere oorzaak. Door de verslechterde verstandhouding tussen Margaretha van Parma, landvoogdes van de Nederlanden, en kardinaal de Granvelle, adviseur van Karel V en Filips II, moet deze laatste in 1564 het grondgebied verlaten. De erudiete verzamelaar wordt in 1567 opgevolgd door de hertog van Alva die door Filips II van Spanje met een leger van 17.000 man naar de Nederlanden wordt gestuurd met de opdracht om de rust te herstellen na de Beeldenstorm van 1566 en de ‘ketterse’ opstanden. De hertog van Alva, bijgenaamd de IJzeren Hertog, roept in 1568 de Raad van Beroerten (al snel de Bloedraad genoemd) in het leven. Daarop volgen talrijke inbeslagnames en honderden executies.

Maar de toenemende problemen in de Nederlanden hebben nog een andere oorzaak. Door de verslechterde verstandhouding tussen Margaretha van Parma, landvoogdes van de Nederlanden, en kardinaal de Granvelle, adviseur van Karel V en Filips II, moet deze laatste in 1564 het grondgebied verlaten. De erudiete verzamelaar wordt in 1567 opgevolgd door de hertog van Alva die door Filips II van Spanje met een leger van 17.000 man naar de Nederlanden wordt gestuurd met de opdracht om de rust te herstellen na de Beeldenstorm van 1566 en de ‘ketterse’ opstanden. De hertog van Alva, bijgenaamd de IJzeren Hertog, roept in 1568 de Raad van Beroerten (al snel de Bloedraad genoemd) in het leven. Daarop volgen talrijke inbeslagnames en honderden executies.

Bruegel schildert zijn Kindermoord te Bethlehem waarschijnlijk als reactie op de gebeurtenissen van deze donkere bladzijde in de geschiedenis van de Nederlanden. Het ongedateerde werk bevindt zich in het Kunsthistorisches Museum in Wenen (een andere versie is te bezichtigen in Hampton Court Palace bij Londen).
In Brussel bezitten de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België een kopie van de hand van zijn oudste zoon, Pieter Brueghel de Jonge.

Het paneel actualiseert het Bijbelse tafereel met feiten uit de tijd van Bruegel. Zo zijn de in het rood geklede troepen mogelijk de Spaanse troepen van de hertog van Alva of de soldaten van landvoogdes Margaretha van Parma.

EEUW VAN DE KOOPLIEDEN
HOOFDSTUK 3. Economische context

Door de vele ontdekkingsreizen in de 16e eeuw nemen de handelsbetrekkingen toe. Antwerpen, waar Bruegel zijn artistieke loopbaan begint, is op dat moment één van de grootste havens van Europa. Met de economische ontwikkeling van de metropool doet de figuur van de koopman zijn intrede.

Het werk van Bruegel staat ten dele nog onder invloed van de middeleeuwse folklore, maar hij voelt zich tevens aangetrokken tot humanistische kringen die weldra de ideeën van de Italiaanse Renaissance in de rest van Europa zullen verspreiden.
Tussen de Kerk en de adel, die in de snel veranderende wereld vasthouden aan hun tradities, vormt zich een nieuwe sociale categorie die aan de gevestigde orde wil ontsnappen.

De waarden die deze nieuwe burgerlijke en stedelijke klasse verdedigt, steunen op technische vooruitgang en nieuwe ontdekkingen, dezelfde ontdekkingen die hen in staat stellen om via een bloeiende handel status en welvaart te verkrijgen. In Antwerpen verschijnen tal van grote handelshuizen van Europees formaat, zoals dat van de familie della Faille.

Maar de uitbreiding van de steden heeft ook haar nadelen. In de 16e eeuw groeit bijvoorbeeld de kloof tussen arm en rijk. Hongersnood en epidemieën sparen ook de Nederlanden niet. Ook daar is het aantal verminkte mensen en bedelaars groot.


Toch blijft de demografische expansie toenemen. Net als Bruegels Toren van Babel krijgen de steden te maken met een ongekende groei.

TUSSEN DE MIDDELEEUWEN EN DE RENAISSANCE: HET HUMANISME
HOOFDSTUK 4. Culturele context

De artistieke invloed van de Bourgondische Nederlanden doet zich van het begin van de 16e eeuw gelden. Het is de gouden eeuw van de Vlaamse Primitieven, o.m. Van Eyck, Meester van Flémalle, Van der Weyden, Bouts, enz. Hun schilderijen, maar ook de vakkennis van de tapijtwevers en de Brabantse retabels in houtsnijwerk zijn overal in Europa geliefd en dragen dan ook actief bij aan deze invloed.

De hele 16e eeuw door blijft deze dynamiek duren, hierin geholpen door de opkomst van een grensoverschrijdende humanistische stroming. Erasmus publiceert in 1511 zijn Lof der Zotheid. Hij draagt dit werk overigens op aan Thomas More, wiens Utopia vijf jaar later te Leuven zal worden gepubliceerd. In de eerste helft van de 16e eeuw, in 1534, verschijnt tevens het groteske boek Gargantua van Rabelais.

Aan het begin van de 16e eeuw is Antwerpen één van dé centra van de boekdrukkunst, hetgeen sterk bijdraagt aan de culturele bloei van de stad. Christoffel Plantijn opent er in 1549 zijn uitgevershuis "De Gulden Passer", een jaar na Hiëronymus Cock’s "In de Vier Winden".

Die uitgevershuizen zijn in heel Europa beroemd en dankzij hun vertalingen in lokale talen zijn zij verantwoordelijk voor de verspreiding van de klassieke cultuur. Maar zij publiceren daarnaast ook wetenschappelijke studies zoals de Atlassen van Mercator (vanaf 1538), het boek over menselijke anatomie De humani corporis fabrica libri septeme van Vesalius (1543) en het beroemde werk van Copernicus De revolutionibus orbium caelestium (1543). Al deze publicaties vormen het bewijs dat de eeuw steeds meer belangstelling heeft voor de wereld en de vorderingen van de wetenschap.

Daarnaast bevatten die boeken de allermooiste gravures van hun tijd. Na de miniaturen van de vorige eeuwen zijn het de modernere prenten en gravures die steeds vaker boeken versieren.
Voor Bruegel is het aan het begin van zijn carrière in Antwerpen zelfs zijn hoofdactiviteit. Die nieuwe technieken dragen sterk bij aan de verspreiding van stromingen en kunststijlen, en dan vooral de kunst van Jheronimus Bosch die een invloed zal hebben op vele generaties kunstenaars.

CONCLUSIE
Te midden van de politieke spanningen, de nieuwe sociaaleconomische verhoudingen, de godsdiensttwisten, de culturele rijkdom en de opborrelende nieuwe ideeën in de 16e eeuw is Bruegel een aandachtige waarnemer en een innovatieve kunstenaar. Door een gebrek aan bronnen kennen de historici zijn standpunten niet, maar zijn schilderijen getuigen in elk geval van een scherp bewustzijn van zijn tijd, waarvan hij opvallend scherpe analyse maakt.
Royal Museums of Fine Arts of Belgium
Credits: verhaal

COÖRDINATIE & REDACTIE
Jennifer Beauloye

WETENSCHAPPELIJK TOEZICHT
Joost Vander Auwera

BRONNEN
-Manfred Sellink, Bruegel : L'oeuvre complet, Peintures, dessins, gravures, Gand, Ludion, 2007.
-Philippe Roberts-Jones et Françoise Roberts-Jones-Popelier, Pierre Bruegel l'Ancien, Paris, Flammarion, 1997.

MET DANK AAN
Véronique Bücken, Joost Vander Auwera, Laurent Germeau, Pauline Vyncke, Lies van de Cappelle, Karine Lasaracina, Isabelle Vanhoonacker‎, Gladys Vercammen-Grandjean, Marianne Knop‎.

COPYRIGHTS
© Royal Museums of Fine Arts of Belgium, Brussels / photo : J. Geleyns / Ro scan
© Royal Museums of Fine Arts of Belgium, Brussels /photo : F. Maes (MRBAB)
©KHM-Museumsverband
© KBR, Bruxelles
© Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
© D-Sidegroup

Credits: alle media
Het uitgelichte verhaal kan in sommige gevallen zijn gemaakt door een onafhankelijke derde partij en kan afwijken van de standpunten van de hieronder vermelde instituten die de content hebben geleverd.
Vertalen met Google
Homepage
Verkennen
Dichtbij
Profiel