200 jaar Grondwet

Nationaal Archief

Lodewijk Napoleon Bonaparte
Napoleon Bonaparte

Inlijving bij Frankrijk

Napoleon maakte op 9 juli 1810 een einde aan het koninkrijk Holland (1806-1810). De keizer riep zijn broer Lodewijk, die hij in 1806 had benoemd tot koning van Holland, definitief terug naar Parijs. Hij vond dat zijn broer  te veel de kant koos van de Hollanders en te weinig die van het Franse keizerrijk.

Op deze kaart is de inlijving van Nederland bij het Franse Keizerrijk goed te zien.

In het hele keizerrijk en de daarmee verbonden gebieden, waaronder Holland, was het verboden om handel te drijven met Engeland. Napoleon wilde dat ook het koninkrijk Holland zich aan dat verbod hield, maar de Nederlandse kust was zo lek als een mandje. Het lukte zelfs de Fransen om te verdienen aan smokkelhandel met Engeland via onze kusten.

Een sierlijke voorkant van het document dat de inlijving van Nederland bij Frankrijk vastlegde.
De handtekening van Napoleon die bepaalt dat Nederland onderdeel is van het Franse Keizerrijk.

De Hollanders en koning Lodewijk Napoleon lieten kortom te veel toe. Door de inlijving wilde de keizer daar eens en voor altijd een einde aan maken. Bovendien stoorde het hem dat het land zo weinig inkomsten opleverde voor de Franse schatkist. En juist daarvan had de keizer grote verwachtingen gehad. Bovendien stond het hem tegen dat Holland als bondgenoot weinig bijdroeg aan de oorlogvoering. 

Tegen die achtergrond besloot hij op 9 juli 1810 het koninkrijk definitief bij Frankrijk in te lijven. Amsterdam kreeg een ereplaats en werd aangewezen als de derde hoofdstad van het Keizerrijk (na Parijs en Rome).

Intocht van Napoleon in Amsterdam op 9 oktober 1811.

In 1811 kwam Napoleon met zijn vrouw zijn nieuwe gebiedsuitbreiding bezichtigen. Overal werd de keizer feestelijk onthaald, met als hoogtepunt zijn intocht in Amsterdam. Natuurlijk werden de Franse wetten ook van kracht en werden nieuwe instellingen opgericht. Een aantal daarvan, zoals het Kadaster, de burgerlijke stand en de organisatie van de rechterlijke macht inclusief het Openbaar Ministerie, is na de Franse tijd in stand gebleven. De Code Civil bleef na 1813 lange tijd in Nederland gelden. Ze beïnvloedde sterk het latere Burgerlijk Wetboek.

Slag bij Leipzig dwong de Fransen definitief terug over de Rijn.

Proclamatie 1813

Op 18 november 1813 was het zover. Na de mislukte Franse invasie in Rusland en de nederlaag van Napoleon in de Slag bij Leipzig (16 -19 oktober 1813) werd duidelijk dat Napoleon niet onoverwinnelijk was. Het Keizerrijk had niet die eeuwigheidswaarde die het voor tijdgenoten even leek te hebben.

De tekenen van verzet namen in oktober 1813 sterk toe. Zeker nadat Russische (Kozakken) en Pruisische troepen in de achtervolging van de Franse troepen na de nederlaag bij Leipzig het Nederlandse grondgebied waren binnengevallen, terwijl een inval door Engelsen werd verwacht. Er brak onrust uit in Amsterdam en ook elders broeide het.

Onrust in Amsterdam. Douanehuisjes worden verwoest.

In Den Haag besloot Gijsbert Karel van Hogendorp samen met een aantal andere oud-regenten de onafhankelijkheid uit te roepen. Dit bleek een belangrijk initiatief te zijn. Het voorkwam namelijk dat de Nederlanden zelf buitenspel kwamen te staan bij de onderhandelingen over de toekomst van het eigen grondgebied. Niet de Russen of de Pruisen zouden over onze toekomst beslissen, maar de Nederlanders zelf.

Gijsbert Karel van Hogendorp
Een Nederlandsch Bestuur aan Nederland hergeven (20 november 1813) v.l.n.r. Van Hogendorp, Kemper, Van Limburg-Stirum, van der Duyn van Maasdam, Fannus Scholten en Changuion.

Daarom lieten Van Hogendorp en zijn medestanders op 17 november een proclamatie uitgaan, waarin de onafhankelijkheid werd aangekondigd en de Prins van Oranje werd uitgeroepen tot ‘Hooge Overheid’. Het uitbrengen van die verklaring was deels een kwestie van bluf. De opstellers wisten niet of de Prins de hoge overheid wel op zich wilde nemen. Ook waren de Pruisische en Russische troepen nog niet zover gevorderd als de proclamatie wilde doen geloven.

Proclamatie van 17 november 1813. Klik op de afbeelding om meer proclamaties uit deze periode te bekijken. 
Proclamatie van Prins Willem Frederik waarin hij verklaart dat hij het Nederlandse volk wil helpen om de onafhankelijkheid en welvaart in Nederland te herstellen.
Aankomst van Prins Willem Frederik op Scheveningen.

Hoewel veel Hagenaars het pas echt wilden geloven toen eind november de Kozakken hun tenten opsloegen op het Voorhout, was de proclamatie het startsein van de onafhankelijkheid. Die werd al snel op 21 november gevolgd door de vorming van een voorlopig algemeen bestuur in afwachting van de komst van Prins Willem Frederik.

Op een Brits oorlogsschip steekt Willem Frederik de Noordzee over en op 30 november gaat hij in Scheveningen aan land.

Elke 25 jaar wordt de landing op Scheveningen nagespeeld. Op de foto zien we de Prins van Oranje (Willem-Alexander) die toost met Prins Willem Frederik tijdens nagespeelde landing op Scheveningen op 26 november 1988.
Prins Willem Frederik 
Proclamatie van Prins Willem Frederik. 
Prins Willem Frederik met zijn moeder Wilhelmina van Pruisen

Grondwet van 29 maart 1814

Een van de eerste besluiten van Prins Willem Frederik was de instelling van een grondwetscommissie. Zij moest een ontwerp maken voor een nieuwe grondwet, nadat de Prins op 2 december ten overstaan van notabelen had verklaard dat hij de soevereiniteit aanvaardde ‘onder waarborging van eener wijze Constitutie’. De commissie stond onder voorzitterschap  van Van Hogendorp, die in 1812 al een Schets voor de Grondwet had gemaakt. De Grondwet van 1814 was niet alleen gebaseerd op deze schets van Van Hogendorp. Er werd ook uitgebreid geciteerd uit eerdere constituties, te beginnen met die van 1806 en van 1798. Naast oud-regenten maakten ook oud-bestuurders uit de Bataafs-Franse tijd deel uit van de commissie, onder wie de ‘Bataaf’ Van Maanen.

Beëdiging van de Grondwet op 30 maart 1814.
De kwasten van de eerste Grondwet
'Wij Willem, ...' Klik hier om de eerste Grondwet te bekijken.

De Grondwet van 1814 is de ‘oermoeder’ van onze huidige Grondwet, omdat ze via een lange lijn van aanpassingen met haar verbonden is. Ongeveer een derde van de artikelen van de Grondwet van 1814 is gewijd aan de koning en is sterk gecentreerd rondom zijn soevereiniteit of almacht. Toch wordt die op onderdelen constitutioneel begrensd. Zo is in deze grondwet al sprake van scheiding van kerk en staat, van vrijheid van drukpers en onafhankelijkheid van de rechterlijk macht. Ook het recht van initiatief, zowel van de koning als van de Staten-Generaal, die toen nog slechts bestond uit één kamer, stond hierin beschreven.

De verkiezingen vonden plaats op basis van een stelsel van standenvertegenwoordiging. Ook bevatte de Grondwet de regels van erfopvolging en parlementaire goedkeuring van het huwelijk van de koning en zijn opvolgers. 

De Grondwet van 1814 is de eerste grondwet van het koninkrijk en haar betekenis is vooral institutioneel: de opbouw van de nieuwe, vooral centraal geleide,  eenheidsstaat werd erin verankerd. Ook over decentralisatie zou voortaan centraal worden beslist.

Handtekening van Bernhardus Buma

Opmerkelijk: een rechtstreekse voorvader van een van de huidige CDA-fractievoorzitter, Sybrand van Haersma Buma, heeft deze Grondwet ook ondertekend.

Bernhardus Buma

Grondwet van 24 augustus 1815

In juni 1815 werd in Londen besloten tot een samenvoeging van de Nederlanden met de voorheen Oostenrijkse Nederlanden (België). Dat maakte een grondwetsherziening noodzakelijk. Daartoe werd een nieuwe grondwetscommissie in het leven geroepen, met evenveel Noordelijke als Zuidelijke leden.

Het Koninkrijk der Nederlanden in 1815
De Grondwet van 1815. Klik op de afbeelding om hem te bekijken.
Artikel 1.                                                   

De nieuwe Grondwet bevatte de invoering van twee kamers, de Eerste én Tweede Kamer. Bovendien werd het aantal grondrechten uitgebreid en werden vergaderingen van de Tweede Kamer openbaar.

Van Zuidelijke zijde werd erop aangedrongen om via een referendum een geheel nieuwe grondwet in te voeren. Er werd echter gekozen de bestaande Grondwet van 1814 te herzien volgens de regels van die grondwet. Het zou de eerste herziening worden in een lange rij. Het ontwerp van de Grondwet van 1815 werd zowel in het Noorden als het Zuiden voorgelegd aan een vergadering van notabelen. Notabelen stemden in het Noorden massaal voor de nieuwe grondwet. 

In het Zuiden bleek een meerderheid ertegen. De koning bepaalde uiteindelijk dat de Grondwet was aangenomen, omdat degenen die niet waren komen opdagen geacht werden te hebben voorgestemd (‘wie zwijgt stemt toe’). Daarnaast werden tegenstemmen die voortkwamen uit een afwijzing van de scheiding van kerk en staat, als niet uitgebracht beschouwd. In de internationale verdragen tot stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was die scheiding van kerk en staat namelijk opgenomen. En volgens de koning waren notabelen niet gelegitimeerd om op basis van deze kwestie hun stem uit te brengen.

Het scheidingverdrag met België, 19 april 1839

Vanaf het begin van het Koninkrijk in 1815 waren er problemen tussen koning Willem I en de Zuidelijke Nederlanden. De inwoners waren overwegend katholiek en de inwoners van de Noordelijke Nederlanden protestant. Bovendien had het noorden een veel grotere staatsschuld dan het zuiden. 

Het verzet tegen Willem I nam verder toe toen hij in 1823 het taalbesluit afkondigt. In de Vlaamse provincies mocht voortaan alleen nog Nederlands als officiële taal worden gebruikt.

In juli 1830 kwam het tot een uitbarsting. Wat begon als rellen eindigde in een heuse oorlog. De Belgen vormden een Voorlopig Bewind, dat op 4 oktober de onafhankelijkheid uitriep. België werd snel daarna door de landen van Europa erkend. Willem I weigerde echter de scheiding te erkennen. In augustus 1831 vond de Tiendaagse Veldtocht plaats waarbij het Nederlandse leger aanvankelijk successen behaalde, maar na Franse interventie moest het leger zich terugtrekken en was de scheiding van Nederland en België definitief.

Tiendaagse Veldtocht bij Leuven
Het Scheidingsverdrag van België en Nederland

Pas in 1839 legde Willem I zich daarbij neer en aanvaardde het scheidingsverdrag.

Deze kaart geeft het Belgisch grondgebied aan dat zou bestaan uit de procincies Zuid-Brabant, Luik, Namen, Henegouwen, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen.
Deze kaart verwijst naar de in artikel IV genoemde gebieden op de rechter- en linkeroever van de Maas die zouden toebehoren aan de Koning der Nederlanden.
Aantekeningen van Thorbecke. Klik op de afbeelding om de aantekeningen te bekijken.

Grondwetsherziening van 3 november 1848

Voor hoogleraar en staatsman Johan Rudolph Thorbecke was aan het eind van de jaren dertig van de negentiende eeuw al duidelijk dat het politieke stelsel van de Grondwet van 1815 onhoudbaar was geworden. Onder zijn leiding vroegen negen Kamerleden in 1844 om vergaande constitutionele veranderingen.

Als voorzitter van de commissie die het ontwerp maakte, kon Thorbecke zijn ideeën over modernisering van het staatsrecht vormgeven. De grote macht van de koning vond hij ouderwets. Daaraan maakte de ministeriële verantwoordelijkheid een einde. De invloed van het volk - althans het welvarende deel - kreeg een plaats door de rechtsreekse verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraad. In een uitgebreid schrijven lichtte Thorbecke de voorgestelde herziening van de Grondwet toe.

Het duurde echter tot het revolutiejaar 1848 dat koning Willem II bereid was om de Grondwet te herzien. Thorbecke verwoordde die noodzaak van verandering als volgt: “De Grondwet heeft staatsburgerschap, de eerste drijfveer onzer eeuw, zooveel zij kon, laten slapen. Om hartstocht te mijden, brak zij de ziel. De burgerij had tot hiertoe het besef, dat zij mederegeerde, niet. Zonder dit besef evenwel rust de Staat niet op nationalen kracht; en zonder hoog ontwikkelde nationalen kracht wordt heden ten dagen geen Staat bewaard”.

Portret van Johan Rudolph Thorbecke

Deze nieuwe herziening van de Grondwet, waartoe de koning tegen de achtergrond van revolutionaire ontwikkelingen in het buitenland en demonstraties in Den Haag bereid bleek, was aanzienlijk. Er kwamen toen rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer, en ook voor Provinciale Staten en gemeenteraden. In de Grondwet werd vastgelegd dat provincie en gemeente een meer autonome status kregen. Bovendien werd het recht van het parlement om de begroting te controleren en goed te keuren uitgebreid. Hetzelfde gold voor de grondrechten. Zo werd ook vrijheid van onderwijs ingevoerd. Ten slotte werd de politieke ministeriële verantwoordelijkheid in de Grondwet opgenomen.

'Wij Willem II, ...' Klik op de afbeelding voor voor het gehele document uit 1848.

De grondslagen van het politieke bestel werden daarmee fundamenteel anders. Eerst had alleen de koning het voor het zeggen. De koning kon immers, voor een deel buiten de Staten-Generaal om, regeren alsof het een persoonlijke aangelegenheid betrof. Vanaf 1848 kon de koning dat echter niet meer. De Staten-Generaal ging, om zo te zeggen, vanaf die tijd meeregeren. Maar het was slechts een kleine elite van rijke burgers die het recht kreeg om hun stem uit te brengen, en om zelf als Kamerlid gekozen te worden. Het jaar 1848 werd kortom gekenmerkt door de invoering van het parlementair stelsel. Maar dat hield niet in dat Nederland tegelijk een democratie werd.

Grondwet van 1917

In het laatste kwart van de negentiende eeuw ontstonden de eerste politieke partijen. Hun opkomst viel deels samen met de intensivering van de politieke strijd. Die ging met name over het sociale vraagstuk, de uitbreiding van het kiesrecht en de uitvoering van het beginsel van vrijheid van onderwijs.

'Wij Wilhelmina, ...' Klik op de afbeelding om het gehele document uit 1917 te bekijken.
Pieter Jelles Troelstra spreekt demonstranten toe tijdens een demonstratie voor algemeen kiesrecht in 1912.

Over de sociale kwestie verschenen vanaf de jaren negentig van de negentiende eeuw de eerste wetten in het Staatsblad, waaronder de wet die de arbeidsomstandigheden ging regelen (‘Veiligheidswet’). De uitbreiding van het kiesrecht vereiste echter een grondwetswijziging. De voorvechters ervan, veelal liberalen en socialisten, voerden de strijd daarvoor op. Deze bleef daarbij niet beperkt tot de Staten-Generaal, maar strekte zich ook uit tot grote publieke demonstraties.

Schoolklas in Amsterdam, 1914

De strijd over de uitvoering van het beginsel van de vrijheid van onderwijs spitste zich vooral toe op de financiering van het bijzonder onderwijs. Dat bijzonder onderwijs werd gegeven op basis van levensbeschouwelijke - godsdienstige - overtuiging. Liberalen vonden dat slechts het openbaar onderwijs, ofwel onderwijs dat door de staat zelf geven werd en geen positie koos in religieuze kwesties (neutraal), uit de openbare middelen gefinancierd mocht worden. Confessionele politici daarentegen vonden dat het bijzonder onderwijs ook door de staat betaald moest worden. Zij zagen het openbaar onderwijs als het nationale onderwijs dat de visie uitdroeg van slechts de dominante liberale politieke bovenlaag. De natie was christelijk en dat christelijke karakter moest volgens de confessionelen ook in het nationale onderwijs weerspiegeld worden. Zowel de kwestie van de kiesrechtuitbreiding als die van het onderwijs werden opgelost in de grondwetswijziging van 1917.

Les in tandenpoetsen, 1933
Vereniging voor Vrouwenkiesrecht in actie. De kiesrechtvrouwen trokken met een tweetal reclamewagens door Amsterdamse Straten om met strooibiljetten propaganda te maken voor de meeting op 15 februari 1914.

Het kiesrecht werd algemeen toegankelijk gemaakt: eerst alleen voor mannen en vanaf 1919 bij nadere wetgeving ook voor vrouwen. Tegelijk werd ook het systeem van evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. Rond de onderwijskwestie kwam een pacificatie tot stand: de financiering van het bijzonder onderwijs werd gelijkgesteld met die voor het openbaar onderwijs. Het bijzonder onderwijs werd vanaf 1917 ook door de staat gesubsidieerd op dezelfde basis als het openbaar onderwijs. Beide soorten onderwijs moesten wel voldoen aan door de staat gecontroleerde vereisten van deugdelijkheid, te controleren door de Onderwijsinspectie.

Vrouwen die strijden voor kiesrecht waaronder Wilhelmina Drucker (Dolle Mina) en Aletta Jacobs, 1913.

Ten slotte werd ongeveer tegelijk met de grondwetswijziging de sociale wetgeving uitgebreid. In 1919 werd bijvoorbeeld de wet op de achturige werkdag ingevoerd. Dat gebeurde mede tegen de achtergrond van de roerige ontwikkelingen in Europa aan het eind van de Eerste Wereldoorlog. Door de grondwetswijziging van 1917 verbreedde de democratische basis van het parlementaire stelsel.

Landbouwers aan het werk op de sawahs, ploegend en de dijkjes herstellend, met op de achtergrond de Ardjoeno/Arjuno, West-Java Indonesië, 1947

Het grondgebied van het koninkrijk is altijd aanmerkelijk ruimer geweest dan dat van Nederland zelf. Nederland had ‘overzeese bezittingen’, maar dat kon tot eind negentiende eeuw slechts indirect worden afgeleid uit de tekst van de Grondwet, bijvoorbeeld uit de bepaling over de verantwoordelijkheid voor het bestuur van de koloniën. 

Dat deze gebieden vanaf eind negentiende eeuw wel in de Grondwet werden genoemd, kwam doordat de inwoners ervan niet meer uitsluitend werden gezien als objecten van bestuur. Inwoners werden nu ook gezien als eigen subjecten, met eigen – aanvankelijk geringe - rechten tot inspraak in het over hen uitgeoefende bestuur.

Indonesië (voorheen Nederlands-Indië): Koloniaal geklede Europeanen met paarden en in een draagstoel, 1880-1910.

Vooral na de Tweede Wereldoorlog kwamen de opvattingen over het bestuur van de overzeese gebiedsdelen in een stroomversnelling. De gebiedsomvang zelf werd aanmerkelijk verkleind, doordat Indonesië onafhankelijk werd na de soevereiniteitsoverdracht in 1949.

'Wij Juliana, ...' zo begint het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden
Een zegel aan het document  maakt het officieel

Voor het overgebleven gebied streefde de regering vanaf eind jaren veertig naar gelijkwaardigheid. Dat mondde in 1954 uit in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dit document staat boven de Grondwet en bevat het staatsrecht voor alle delen van het koninkrijk. Het omvat ook de gebiedsomschrijving van het gehele koninkrijk. In 1954 viel ook Suriname daaronder.

Sinds de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, betreft het, behalve het gebied in Europa, alleen de Nederlandse Antillen. 

Het Statuut bepaalt wat de koninkrijkaangelegenheden zijn, zoals buitenlandse zaken, defensie, toelatingsbeleid, vreemdelingen, mensenrechten, rechtszekerheid en deugdelijk bestuur. Zij vallen onder de koninkrijksregering (het Nederlandse kabinet plus gevolmachtigde ministers uit de Caraïbische delen van het koninkrijk). 

Ook de bestuurlijke interne structuur van de Nederlandse Antillen is in het Statuut opgenomen. In 2010 werden de Nederlandse Antillen opgeheven. Curaçao en Sint Maarten verkregen een autonome status binnen het koninkrijk. Bonaire, Sint Eustatius en Saba werden bijzondere gemeenten van Nederland.

Today's territories of the Kingdom of The Netherlands
Samen met de voorzitter van het Nationaal Comité 200 jaar Koninkrijk, Ank Bijleveld-Schouten en directeur van het Nationaal Archief, Martin Berendse, bekijkt de Koning Willem-Alexander de Grondwet uit 1814.
Op 29 maart 2014 bewandelt de koning het Grondwetpad tijdens het Grondwet Festival ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de Nederlandse Grondwet. 

Nationaal Archief

Het Nationaal Archief beheert en presenteert bijna 1000 jaar geschiedenis van Nederland in 125 kilometer archiefmateriaal, 15 miljoen foto’s en 300.000 kaarten. Sinds de opening van het volledig vernieuwde publiekscentrum in oktober 2014 beschikt het Nationaal Archief onder andere over een eigen expositieruimte, waarin zij telkens nieuwe innovatieve tijdelijke tentoonstellingen presenteert. Voor meer informatie: zie www.gahetna.nl.

200 jaar Koninkrijk

Na de vieringen in 1863, 1913 en 1963 is het nu tijd voor de viering van 200 jaar Koninkrijk. Deze traditie die elke 50 jaar plaatsvindt is een uitstekend moment om met elkaar stil te staan bij het gezamenlijke verleden, heden en de toekomst. Daarvoor is het Nationaal Comité 200 jaar Koninkrijk opgericht onder leiding van Ank Bijleveld-Schouten. Voor meer informatie: www.200jaarkoninkrijk.nl .

Credits: verhaal

Google
200 jaar Koninkrijk
Nationaal Archief

Credits: alle media
Het uitgelichte verhaal kan in sommige gevallen zijn gemaakt door een onafhankelijke derde partij en kan afwijken van de standpunten van de hieronder vermelde instituten die de content hebben geleverd.
Vertalen met Google
Homepage
Verkennen
Dichtbij
Profiel